Diabolus vobiscum, et cum spiritu tuo!

Dopeman please can I have another hit

Artiest: Peste Noire
Uitgave: Folkfuck Folie
Platenmaatschappij: De Profundis
Jaar: 2007
Taal: Frans
Genre: Ziektes Die Niet Genezen Dienen Te Worden

Punk is dood. Wat ooit begon als een al dan niet oprechte revolte tegen de door de commercie gegijzelde rock, is nu zelf verwaterd tot op conventies leunende gitaarpop met lichte distortion en teksten zo correct en genuanceerd dat zelfs de gemiddelde PvdA-ert er het schaamrood van op de kaken krijgt. Hiphop is ook een lachertje. Zorgden in het verre verleden acts als N.W.A. en Public Enemy nog voor massale verontwaardiging onder roomblanke moraalridders, tegenwoordig is hiphop volledig geaccepteerd door het establishment en wordt zelfs geen mogelijkheid onbenut gelaten om door middel van hiphop op onbedoeld hilarische wijze tevergeefs de jeugd te proberen indoctrineren.

Het enige wat deze pseudopunkers ooit op zullen blazen is een condoom.

Als punk en hiphop zo goed als dood zijn, welke muzikale stromingen blijven er dan nog over die niet alleen nog écht tegen de gevestigde orde aanschoppen, maar tevens de bips afvegen met de door geld gegenereerde conventies van de tot op het bot verkankerde muziekindustrie? Zou het black metal kunnen zijn? Het is moeilijk om die vraag met een volmondig ‘ja’ te beantwoorden na het aanschouwen van theatrale MTV-clowns als Immortal, Dimmu Borgir en Gorgoroth. Op z’n minst bewijst het bestaan van dat soort bands dat de muziekindustrie in ieder geval al een manier heeft gevonden om black metal uit te buiten door het met behulp van een vakkundig ontworpen imago gestoeld op adolescente rebellie te verkopen aan pseudo-satanische pubers.

Dat in ogenschouw nemend, is het niet geheel verwonderlijk dat Peste Noire er al enkele jaren in slaagt vakkundig een groot deel van het blackmetalpubliek op de kast te krijgen. Want hoewel zelfs black metal al deels is verziekt door toneelspelende malloten die doen alsof ze de duivel aanbidden, omarmt Peste Noire nog altijd de anarchistische geest van deze muziekstroming, die juist zo aantrekkelijk was om haar ongevoeligheid voor conventies. Hoewel het debuutalbum, La Sanie des siècles – Panégyrique de la dégénérescence, al een meesterwerk was waar tevens al enkele van de tekstuele leidmotieven van de band op geïntroduceerd werden, was het het daaropvolgende album Folkfuck Folie waarmee de band zichzelf op de kaart zette als misschien wel de meest rebelse, onconventionele act in het genre.

Ik zei het toch?

Misschien was het wel om deze reden dat het album nog altijd dikwijls verguisd wordt, zelfs onder vermeende fans van de band. Zowel muzikaal als tekstueel liet de formatie, onder leiding van de immer voor opschudding zorgende frontman Famine, zien dat het overal schijt aan had, inclusief zichzelf en het eigen publiek. De nummers waren veel korter dan op La Sanie, solo’s werden grotendeels achterwege gelaten en de productie was een ware marteling voor het oor. Famine beweerde later in een interview zelfs dat het schelle gitaargeluid op de CD het resultaat is van een weddenschap met een vriend over wie het meest irritante gitaargeluid kon bedenken, om er vervolgens een album mee op te nemen. Mocht dit waar zijn (je weet het immers maar nooit met die cynische Fransozen), kan ik al raden wie er gewonnen heeft. Het album heeft, kortom, een door en door rot geluid, wat ook de reden is waarom het waarschijnlijk de minst ‘populaire’ van de tot nu toe vier albums van Peste Noire is.

Dat het altijd de bedoeling is geweest van niet alleen Folkfuck Folie, maar het oeuvre van Peste Noire als geheel om een dergelijke sfeer op te wekken, lijkt veel mensen echter te zijn ontgaan. Dit terwijl de filosofie van Peste Noire zelfs op de demo’s al behoorlijk expliciet werd geformuleerd. Zo is op de introductie van een vroege versie van “Le Mort Joyeux” de volgende tekst terug te vinden, gebaseerd op À Rebours (Tegen de Keer) van Joris-Karl Huysmans (klik op de tekst om het fragment te beluisteren):

“Au rebours du sens commun, du sens moral, de la raison, de la nature, telle est cette musique qui coupe comme un rasoir, mais un rasoir empoisonné, sur les platitudes ineptes et impies d’une société putréfiée de matérialisme. La secte Peste Noire est l’émanation d’une âme malade d’infini dans une société qui ne croît plus qu’aux choses finies. Arrivé à la dernière limite que les sensations puissent atteindre, et toujours affamé de sensations nouvelles. Prendre la vie à rebours est le seul parti qu’ils leurs restent pour y trouver quelque goût et quelque saveur. Et ils le prennent, ce parti de la vie à rebours, ils le prennent avec cet hymne baudelairien, empli de fiel. Le mort joyeux!”
(N.B. Aangezien ik dit niet durf te verkrachten met een eigen vertaling, verwijs ik je graag door naar Google Translate.)

Van belang is hier de passage over het zoeken en vinden van “quelque goût et quelque saveur”; welke smaak dan ook. Dit is namelijk de essentie van de band: clichématig als het klinkt, een ontdekkingsreis langs de donkere kanten van de menselijke geest; het indrukken van knoppen net zolang tot de walging vanzelf naar boven komt sijpelen. In dit opzicht is het moeilijk te zeggen of diegenen die dit album verafschuwen er geen klote van begrepen hebben, of juist wel. Want hoewel sommigen af zijn gehaakt omdat ze black metal light, door Famine zelf al eens als ‘black metal voor diner bij kaarslicht’  bestempeld, verwachtten [1], is het uiteindelijke doel van het album misschien juist wel geweest om verguisd te worden. Alle nummers klinken zeer onplezierig, ongepolijst en ongemakkelijk: het doel van het album is in wezen om een figuratieve smaak van schijt achter laten in je mond. Zo vies, rauw en smerig is het.

De familie-vriendelijke versie van Peste Noire.

Degenen die derhalve echter hebben geconcludeerd dat Famine op Folkfuck Folie zijn inspiratie kwijt was, of dat hij ook maar één seconde niet precies wist wat hij deed, hebben het wel bij het verkeerde eind. Conceptueel gezien zit het album namelijk zeer sterk in elkaar. De teksten weerspiegelen de immer aanwezige neiging van de band tot het poëtiseren van het kwaad en het ophevelen van het onreine. Al in de tekst van het eerste nummer, “L’Envol du Grabataire (Ode à Famine)”, wordt beschreven hoe de poëtische ik geveld wordt door zijn eigen waanzin en hoe hij vervolgens nieuwe levenszin vindt in moorddadige gestoordheid: “De mon crane / Ils ont fait une cellule, une grotte / Où crimes, névroses, idées noires / Comme des crapauds sautent / Pullulent! / De coups et de crottes est taguée ma mémoire, / Mon présent dévoré / Par la dépression.“[2]

Zoals ook op het debuutalbum het geval is, heeft Famine naast eigen teksten te hebben geschreven, ook enkele gedichten uit de rijke Franse poëziecultuur gekozen die in deze nieuwe context van waanzin en smerigheid als het ware opnieuw worden geboren. Zo is voor “La Fin del Secle” een deel uit het heldenepos La chanson de Roland (Het Roelantslied) als tekst gebruikt, waarin de nadruk wordt gelegd op het apocalyptische sentiment dat ontstond na de dood van de ridder Roelant. Zo legt iedere tekst, geschreven door Famine of uit een gedicht gehaald, net een iets andere duistere nadruk, tot op den duur, ironisch genoeg, een kleurrijk palet aan dood en treurnis ontstaat met bijpassende muziek, waardoor de luisteraar vanzelf mee wordt gesleurd in de neerwaardse spiraal van waanzin die dit album kenmerkt. Het ultieme bewijs dat de tekst losstaat van de auteur en binnen de juiste context van een nieuwe betekenis kan worden voorzien.

Het eindresultaat van dit alles is een chaotische maar tegelijkertijd griezelig samenhangende exercitie van totale gestoordheid die nog eens wordt versterkt door elementen als het geluidsfragment van toneelschrijver en -acteur Antonin Artaud, die met zijn willekeurige gegil uit 1947 posthuum nog aardig in de buurt komt van het geluid van de band zelf. Gek genoeg is het hoogtepunt misschien nog wel de afsluiter “Paysage Mauvais”, die oorspronkelijk bestemd was voor de split-LP met Horna. De schelle, hoge gitaren, het ijzige, bezeten geschreeuw en het hoge tempo maken dit nummer tot een ware incarnatie van de gestoordheid die in het openingsnummer al bezongen werd. De 12 nummers op dit album zijn zowel tekstueel als muzikaal gezien hoe dan ook een dollemansrit die de luisteraar nog echt op de proef stelt, iets wat blackmetalbands eigenlijk altijd zouden moeten doen, maar wat eigenlijk zelden meer gebeurt. Folkfuck Folie is gelukkig de welkome uitzondering op die regel. Een beetje als punk die nog leeft.


Daarnaast is Peste Noire als één van de weinige bands in het genre echt satanisch te noemen. Niet satanisch in de zin van de nietbestaande duivelaanbidderscultus die je in Hollywoodfilms altijd babies ziet offeren, noch de libertijnse, Ayn Rand-aanbiddende hippies onder de bezielende doch voormalige leiding van topcabaretier Anton LaVey. Nee, satanisch als in het doelbewust toedichten van esthetische waarden aan ‘het kwaad’, zonder daarbij uit het oog te verliezen dat het kwaad een uitermate dynamisch concept is dat zwaar onderhevig is aan perspectief. Geen wonder dat Famine de eerste versie van “Retour de Flamme” begon met de tekst “Diabolus vobiscum, et cum spiritu tuo!” (“De duivel zij met u, en uw gehele geest!“), woorden die later terug zouden keren in de respectievelijke teksten van “Laus Tibi Domine” en de studio-versie van “Phalènes et pestilence – Salvatrice averse”. Peste Noire is bezeten muziek. Al het smerige, ongewenste, verguisde, vergaan geachte komt in de plaat naarboven drijven, als ware het een etterende pestbuil (ho ho!). De voorgenoemde Antonin Artaud zei niet voor niets dat het genezen van een ziekte een misdaad is. En mede hierom hoop ik dat deze Pest nog lang dood en verderf mag zaaien.

Laudate, pueri, Dominum!

Bezetting:
Famine – zang, gitaar, tamboerijn, composities/teksten
Winterhalter – drums, tamboerijn
Indria – basgitaar
Neige – ritmische gitaar op en compositie van “La césarienne”, orgel
Audrey S. – achtergrondzang

Nummers:
1. L’Envol du Grabataire (Ode à Famine) (3:42)
2. Chute pour une culbute (3:36)
3. La Fin del Secle (4:51)
4. D’un vilain (2:46)
5. Condamné a la pondaison (7:18)
6. La césarienne (3:22)
7. Maleiçon (6:10)
8. Amour ne m’amoit ne je li (3:04)
9. Psaume IV (2:57)
10. Extrait radiophonique d’Antonin Artaud (0:57)
11. Folkfuck Folie (4:37)
12. Paysage Mauvais (5:01)

Totale speeltijd: 48:29

Bron van (sommige van) de foto’s: http://transcendentalcreations.com/



[1] Bijvoorbeeld onwetende hipsters als die wannabe-nerd (serieus) van theneedledrop, die zich zorgen maken over de politieke incorrectheid van de teksten van bands als Peste Noire: je hebt er geen kaas van gegeten, dus opgeflikkerd.
[2] “Van mijn hoofd / Hebben ze een cel gemaakt, een grot / Waarin misdaden, neuroses, zwarte ideeën / Als padden op en neer springen / In overvloed! / Door slagen en stront is mijn geheugen bevlekt, / Mijn heden verslonden / Door depressie.”

3 thoughts on “Diabolus vobiscum, et cum spiritu tuo!

  1. Pingback: Dodendans in Spijkerbroek | Bevroren Ivoren Toren

  2. Pingback: Het eeuwige offer | Bevroren Ivoren Toren

  3. Wederom een geweldige recensie.
    Ik vind het zelf een heerlijk album; het roept geen walging bij mij op. Het album gaat inderdaad uit van een soort gestoordheid. Gestoordheid lijkt ons in staat te stellen bepaalde sprituele gevoelens, horende bij een cultus van de aarde, beter te kunnen voelen. Denk ook aan een band als Taake: die Hoest gedraagt zich als een zot op het podium.
    PS: Ik zie nooit commentaren bij je artikelen staan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s