Het eeuwige offer

Het interview is ook beschikbaar in het Engels en Frans. De Engelse vertaling van de antwoorden is gedaan door Leex.

English | français

sühnlogo

Zij die graven in de diepste krochten van de Franse black metal, zullen ongetwijfeld zwarte goudaderen ontdekken, die daar al een eeuwigheid liggen, verstopt van een wereld die hun geheimen niet aankan. Soms wordt dit eenzame pad bewust gekozen en wensen de artiesten in kwestie anoniem te blijven, ver verwijderd van de wereld van het licht. Zo meden Les Légions Noires faam en bekendheid op dezelfde manier als velen hun muziek vreesden; een testament van authenticiteit voor sommigen, of wanhopige pretentie voor anderen; buiten kijf staat dat de grote interesse van de buitenwereld de Légions niet verleidde om in het licht te stappen – wellicht omdat zij wisten dat zij aan obscuriteit hun bestaansrecht ontleenden.

Het komt ook voor dat een dergelijke obscuriteit niet het resultaat is van de perfect uitgestippelde creatie van een mythe, maar eerder van factoren als een gebrek aan promotie, sporadische activiteit of zelfs botte pech. Zo kan een band verstoken blijven van aandacht van het grote publiek omdat de bandleden niet ieder uur van de dag op Facebook hun spullen zitten te promoten, of om de nog banalere reden dat de bezetting geen musici telt die reeds hun sporen verdiend hebben.

Uit de historisch rijke regio Auvergne, in het midden van Frankrijk, komt zo’n band, wiens gebrek aan erkenning een aanklacht is tegen goede smaak. Deze onheilige entiteit staat bekend onder de naam Sühnopfer, het blackmetalproject van multi-instrumentalist en enig lid Ardraos. Sinds de oprichting in 2000 heeft Sühnopfer een kwantitatief bescheiden discografie opgebouwd van drie demo’s, een EP en een langspeelplaat. Aangezien vooral de laatste twee uitgaven zonder twijfel behoren aan het beste wat de Franse blackmetalscene te bieden heeft, blijft het een mysterie waarom mensen die überhaupt van Sühnopfer gehoord hebben, nog moeilijker te vinden zijn dan de eerste demo’s van de band.

Nu Ardraos zich echter heeft aangesloten bij Kommando Peste Noire en het slagwerk op hun laatste plaat heeft verzorgd, zullen de dramatische gitaarpartijen, de grimme middeleeuwse sfeer en de keiharde drums van Sühnopfer wellicht eindelijk de oren van het grotere publiek bereiken. En met een nieuwe langspeelplaat in het verschiet is er ook geen reden meer om dit project nog langer te blijven negeren. Om eens vooruit te blikken op de opvolger van Nos sombres chapelles (2010), ging ik om tafel met het brein achter alles, Ardraos, en bespraken ik met hem zijn projecten, het nieuwe album en de Franse cultuur.

Degtyarov: Laten we beginnen met het verklaren van het concept en de geschiedenis achter Sühnopfer. Sommigen zullen immers nog niet bekend zijn met dit nogal ondergrondse project. Wat waren de omstandigheden die tot de creatie van de band hebben geleid en hoe is het bandconcept door de jaren heen geëvolueerd?

Ardraos: Hail! Laten we inderdaad beginnen met een kleine terugblik:

Ik richtte Sühnopfer op in het jaar 2000, toen ik ongeveer 15 jaar oud was. Toentertijd verzorgde ik reeds het slagwerk voor lokale blackmetalbands, waardoor ik meer en meer geïnteresseerd raakte in alle andere instrumenten, zodat ik mijn eigen muziek kon componeren. Ik heb dan ook alle nummers van Sühnopfer zelf geschreven en ingespeeld.

Uiteraard was het begin niet al te groots… Eerst moest ik alle instrumenten onder de knie krijgen en ook nog eens de composities voor mijn rekening nemen. Mijn eerste democassette, The Eternal Sacrifice uit 2001, was een soort van compilatie van nummers die ik sporadisch had opgenomen op mijn viersporencassette. De thema’schateau van de teksten waren vrij doorsnee: als je 15 bent en net begint met het spelen van black metal, word je duidelijk beïnvloed door de groepen waarnaar je luistert. En in deze periode van je leven, of je je er nou van bewust bent of niet, wil je altijd tot een groep of stroming behoren, waardoor je ook diens blauwdrukken kopieert. In het geval van black metal waren dat voornamelijk expliciet antireligieuze gevoelens die nog niet bepaald verteerd waren.

Na deze periode bracht ik twee andere demos uit, te weten Shades of Thy Beauty in 2003 en Laments in 2004. Gedurende deze eerste paar jaar ontwikkelde mijn muziek zich in de richting van een melodieuzere en bovenal persoonlijkere vorm van black metal. Mensen uit de ondergrondse blackmetalscene in Frankrijk ontdekten me dankzij Laments. Deze demo is overigens recent opgenomen in de Antologie du black metal, geschreven door mijn vriend Guudrath en uitgegeven door Camion Blanc.

Ik denk echter dat de eerste echte mijlpaal voor Sühnopfer, de opname van mijn eerste EP door een platenmaatschappij (Eisiger Mond) was: L’aube des trépassés uit 2007. In die periode van mijn leven raakte ik steeds meer geïnteresseerd in de middeleeuwen en de relieken uit deze periode in mijn regio (Auvergne – red.). Mijn vaardigheden wat betreft het schrijven en spelen van muziek hadden zich ook ontwikkeld. Daarbovenop kwam dat ik verlangde naar afzondering en overpeinzing.

Deze EP werd wijder verspreid, goed ontvangen en was daarom een doorbraak in het Franse blackmetallandschap. Die gast van Horna bood me zelfs nog aan om de EP als een bandje uit te brengen. Iets als dat had ik simpelweg niet verwacht toen ik met mijn project begon. Toch bleef ik vasthouden aan dezelfde doelstelling: vooral muziek maken die ik zelf goed vind, voor mijn eigen plezier: dit maakt mijn werk uniek.

Na deze doorbraak kwam er niet veel verrassends meer op mijn pad… L’aube des trépassés had nog wat kleine tekortkomingen en Sühnopfers eerste echte langspeelplaat werd in 2010 uitgebracht door Those Opposed Records, tien jaar na de oprichting dus. Met Nos sombres chapelles kon ik de groei laten zien die mijn muzikale techniek en mijn composities hadden doorgemaakt. Het was een echte muzikale en persoonlijke prestatie. Ik had ook de thematiek ontwikkeld die ik op mijn EP reeds was begonnen te behandelen, zodat het de middeleeuwse, ridderlijke, obscure en religieuze dimensie van de muziek ten goede zou komen. Dit deed ik door het toevoegen van aspecten van mijn ‘terroir’ (het plaatselijke – red.), typisch voor mijn thuisland. Zelfs vandaag laat dit land zien hoe krachtig, glorieus en duister het was.

D: Sühnopfer mag dan (nog) niet eenzelfde hoeveelheid aan faam verworven hebben als sommige andere Franse blackmetalbands, maar hoe is je muziek in de loop der jaren ontvangen? Heb je bijvoorbeeld veel buitenlandse fans?

A: Sühnopfer werd voor het eerst uitgegeven in Frankrijk en is sinds 2007 in het buitenland bekend dankzij platenmaatschappijen. Ik heb tot dusver echter maar één langspeelplaat uitgebracht (al komt er binnenkort een tweede) en een EP. Dat is de reden dat ik nog steeds bekender ben in Frankrijk dan daarbuiten, al zijn er dankzij platenmaatschappijen en het internet al wel wat buitenlanders op Sühnopfer afgekomen.

Laat me je er ook op wijzen dat ik niet zoveel aan prostitutie, sorry… promotie doe op het internet (ik heb een officiële webpagina die ik bij tijd en wijlen bijwerk). Ook doe ik geen optredens, noch rol ik in het geld, dus wordt het een beetje moeilijk om advertenties in bladen te betalen. Daar komt nog bij dat ik geen webmaster in kan huren, of zo’n oliedomme manager zoals zoveel andere groepen hebben gedaan. Ik kan überhaupt niet altijd tijd vrijmaken om één of ander promotieproces in gang te zetten, aangezien ik nog in andere groepen speel en bovendien ook een baan heb.

Maar gelukkig is faam niet waar ik naar op zoek ben; ik doe gewoon wat ik wil en dat doe ik zo goed mogelijk… Als mensen er geïnteresseerd in raken, geeft dat natuurlijk een voldaan gevoel (waarom zou je je anders een slag in de rondte werken om een zo goed mogelijk album te maken?). Wellicht dat de nogal melodieuze en middeleeuwse black metal niet zo populair is als andere genres… Deze muziek is niet basaal, noch gestoeld op 3 gitaarmelodieën; de compositie en de instrumentatie vereisen een minimum aan aandacht tijdens het luisterproces, zodat alle details herkend kunnen worden… Daarom is het voor sommige mensen misschien niet zo makkelijk te behappen…

Zoals ik eerder al zei, heb ik een hoop positieve reacties gekregen sinds L’aube des trépassés en Nos sombres chapelles… Hoewel, er zijn altijd wel een paar eikels die zeggen: “het is niet genoeg zus” of “het is te veel zo”, terwijl ze zelfs niet eens een instrument vast kunnen houden. Maar ik houd me niet zo bezig met positieve of negatieve reacties; diegenen die willen weten wat anderen van mijn muziek vinden, kunnen er simpelweg de recensies op naslaan.

Ter conclusie zou ik kunnen zeggen dat Sühnopfers faam groeiende is dankzij mijn betrokkenheid bij andere groepen en ik hoop dat dit effect met het volgende album alleen maar sterker zal worden.

ardraoskpn

D: Fenriz heeft herhaaldelijk gezegd dat, hoewel hij dikwijls gezien wordt als “de drummer van Darkthrone”, hij warmere gevoelens koestert voor de basgitaar. En ook al ben je zelf een gevestigde multi-instumentalist, ik zie je persoonlijk nog steeds als een drummer; niet eens zozeer omdat dit het instrument is wat je bespeelt in Peste Noire, Christicide en een meervoud aan andere groepen, maar omdat het slagwerk zo’n prominente rol vervult in je werk met Sühnopfer. Dus, ‘voel’ je je een drummer, of heb je toch liever een ander instrument?

A: Hoewel ik ben begonnen met muziek op mijn zesde, toen ik accordeon leerde spelen, heb ik me altijd meer aangetrokken gevoeld tot de drums (ik begon uiteindelijk met oefenen toen ik ongeveer 14 was). De andere instrumenten leerde ik pas later te bespelen; ik zie mijzelf bovenal als drummer. Ik houd er natuurlijk ook van te oefenen met de gitaar en de basgitaar als ik voor Sühnopfer aan het componeren geslagen ben, maar het slagwerk voert de boventoon in al mijn muziekgerelateerde activiteiten.

D: Nu je toch het onderwerp componeren hebt aangesneden: toen ik voor de eerste keer naar Nos sombres chapelles luisterde – en dan met name het titelnummer – klonk de muziek alsof je de drumpatronen eerst had geschreven en de gitaarmelodieën er pas later aan waren toegevoegd. Hoewel ik geen idee heb of het componeerproces daadwerkelijk zo in elkaar zit, vraag ik me toch af of er een kern van waarheid zit in het idee dat de composities en structuren van Sühnopfers muziek aanzienlijk meer op het slagwerk gestoeld zijn dan de gebruikelijke blackmetalband.

A: Het mag dan klinken alsof het slagwerk als eerste gecomponeerd is, maar dit is niet het geval. Bij het creëren van nieuwe nummers voor Sühnopfer, begin ik altijd met de gitaarmelodieën. Zo gauw die geschreven en gearrangeerd zijn (meestal resulterend in drie geharmoniseerde doch verschillende gitaarmelodieën), verdiep ik mij in de slagwerkpartijen, waar ik een flinke tijd aan besteed zodat ze goed samengaan met de gitaarpartijen en mijn expertise naar voren brengen. Daarna doe ik mijn uiterste best om de drums op te nemen, aangezien dat mijn favoriete instrument is. Wat jij hebt gehoord, is simpelweg de manier waarop ik speel; de indruk dat de drumpartijen als eerste werden gecomponeerd, kan ik niet verklaren… Het kan komen omdat het slagwerk nadrukkelijker aanwezig is in de productie dan bij andere, ‘normale’ groepen: als percussionist ben ik er zeker aan gelegen om de nadruk te leggen op het slagwerk. Hoe het ook zij, ik zou willen dat mensen zich ook op de gitaren concentreren, omdat ik daaraan de meeste tijd kwijt ben en ze, naar mijn mening, de ziel van Sühnopfers nummers vormen.

D: Sühnopfer lijkt in het bijzonder gebonden te zijn aan de regio waar het project vandaan komt – Auvergne. Je hebt zelfs een Auvergnats embleem op je rug getatoeëerd. Ik weet dat het bijvoorbeeld in Spanje vrij moeilijk zou zijn je te identificeren met regio’s als Catalonië of Galicië zonder op z’n minst het vermoeden aan te wakkeren van een politieke dimensie. Heeft een dergelijke regionale affiniteit connotaties van regionalisme dan wel separatisme in Frankrijk? En zo ja, heeft dit enig effect op je muziek?

A: Ten eerste voel ik mij verbonden aan Bourbonnais (wiens wapen op mijn rug is getatoeëerd): het is de oude provincie die aan de Hertogen van Bourbon behoorde. Dit gebied correspondeert ongeveer met het huidige departement van Allier en maakt heden ten dage administratief gezien deel uit van Auvergne. Ik ben geboren in Bourbonnais – en hetzelfde geldt voor mijn voorvaderen – te midden van zijn beboste platteland, in Zuid-Bourbonnais (of Noord-Auvergne). Hierdoor kon ik een groot deel van de regio ontdekken. Je zult altijd mensen hebben die beweren dat Auvergne achtergesteld is. Het is waar dat het weer zwaar is en er een groot aantal lege stukken land is, alsmede verspreide, afgelegen gehuchten… maar dat is het type landschap dat echte karakters vormt, niet verstedelijkte nichten. In z’n algemeenheid denk ik dat hier alles is wat je nodig hebt om vredig te kunnen leven. We hebben zoveel verschillende landschappen, dorpen, relieken en natuurlijke plekken. Hieruit probeer ik tevens de energie te halen waarmee ik mijn muziek meer sfeer kan geven.

tattoo

Ik heb tot dusver echter zelden mijn regio in mijn teksten genoemd (enkel in twee nummers: “Brûme sur le châstel” en “Espérance”). Mijn volgende album bevat wat nummers die gebaseerd zijn op lokale legenden die verbonden zijn aan specifieke locaties (bijvoorbeeld het kasteel van l’Ours in Allier, waar mijn meest recente foto’s genomen zijn). Ik houd er nog het meest van afbeeldingen, monumenten en landschappen te gebruiken, die ons vanuit onze lokale culturele erfenis en diens charme en sfeer worden toegereikt. Ik denk simpelweg dat het goed samengaat met de thematiek waar ik mij mee bezighoud. Ik mag dan in verbinding staan met mijn wortels, maar Sühnopfer is geen regionalistische band in politieke zin, al kan de meest subtiele verwijzing naar een stuk land in de albumkunst ertoe leiden dat een groep als regionalistisch wordt bestempeld.

Wat betreft het regionalisme: het is in de loop der jaren vrij populair geworden in Frankrijk, al wordt het soms misbruikt… Door de geschiedenis van Frankrijk heen – en dan in het bijzonder in de laatste paar eeuwen – zijn lokale gebruiken en dialecten steeds meer verdwenen, om zo een eensgezind territorium van ons land te maken. Er bestaat bijvoorbeeld in Corsica redelijk wat sympathie voor de separatistische zaak (wat makkelijk te begrijpen is, gezien de historische en geografische eigenaardigheden van dit eiland), maar niet in andere regio’s, al beweren sommige hun eigen identiteit te hebben (zoals Bretagne of Alsace). De administratieve structuur in Frankrijk is echter anders dan wat we zien in Spanje of Duitsland, waar de regio’s meer onafhankelijkheid genieten. Je moet weten dat, in Frankrijk, onze “régions administratives” pas sinds de tachtiger jaren bestaan en gebaseerd zijn op verenigde ‘départements’, kleinere en oudere administratieve eenheden (sorry voor deze lezing over Frans binnenlandbeleid). Er bestaat een vrij eigenaardige paradox in Frankrijk: als je zegt “ik hou van mijn regio”, is dat prima; het maakt immers deel uit van de folklore. Maar wanneer je zegt “ik hou van mijn land”, wordt dat gezien als een racistische uitspraak… Kun je nagaan.

Wel, als je wilt teruggaan naar een identiteit die dieper geworteld is in je regio, is het positief op cultureel niveau, een verbetering en bovenal een tegenwicht tegen de manier waarop de ontwortelde en ongecultiveerde jongeren in Frankrijk zich tegenwoordig gedragen.

D: Om nog even door te gaan op de cultuur van Frankrijk en Europa: een bijzonder detail van Sühnopfer is het feit dat de eerste paar demo’s in het Engels werden gezongen, maar dat je sinds L’aube des trépassés bent overgestapt op het Frans. Normaal gesproken gebeurt dit omgekeerd. Groepen als Enslaved schakelden over naar het Engels om een groter publiek te bereiken (al proberen ze op lachwekkende wijze te ontkennen dat dat de reden was), maar het lijkt mij onwaarschijnlijk dat je op het Frans bent overgestapt om een, tsja, kleiner publiek aan te spreken. Is er een speciale reden waardoor je in het Frans bent gaan zingen?

A: Je hebt gelijk, mijn teksten waren op de eerste drie demo’s in het Engels, afgezien dan van een Frans nummer op Laments. Ik begon met L’aube des trépassés Frans te gebruiken, simpelweg omdat ik in het Engels niet volledig de gevoelens tot uitdrukking kon brengen, die ik over wilde brengen met mijn muziek: mijn woordenschat is namelijk vrij gelimiteerd in die taal. Daar komt nog bij dat ardraxede thema’s van de teksten mij toestonden om bepaalde woorden en uitdrukkingen uit het Oudfrans toe te voegen (dat droeg tevens bij aan mijn nummers door ze van een donkerdere laag te voorzien).

Bijvoorbeeld, op “Vous, ou la Mort”, een nummer dat gaat over vergeten middeleeuwse tradities, gebruik ik woorden die verdwenen zijn uit de Franse taal, maar gebruikt moesten worden omdat ze zo goed bij het onderwerp pasten dat ik behandelde.

Wees echter niet bang dat ik al mijn teksten in het Oudfrans zal gaan schrijven. Dit zou immers te moeilijk te begrijpen zijn voor zowel mijzelf als het publiek. Naar mijn mening staat de Franse taal een mengeling van oude en nieuwe woorden toe wanneer de tekstuele thema’s in hun context worden gepresenteerd. Wat ik belangrijk vind bij het schrijven van teksten, is het zoeken van thema’s en historische details, en die verwerken in de bijbehorende sfeer.

Het je meester maken van de moderne Franse taal is overigens best een prestatie voor veel mensen wanneer je je bedenkt hoe het in het dagelijks leven verneukt wordt… Ik was een paar jaar terug leraar en ik kan je vertellen dat 80% van de Franse studenten geen tekst kan schrijven zonder fouten te maken in de spelling of grammatica. Wanneer ik echter zelf een student was, kregen we van de leraren altijd op onze kloten als we ook maar een klein foutje maakte. Door de jaren heen zijn we mild geworden en het lijkt niemand iets uit te maken… Het is een ware culturele ramp.

Als ik door was gegaan met het schrijven van teksten in het Engels, was ik mezelf ongetwijfeld gaan herhalen met het schrijven van uitgekauwde, gestandaardiseerde uitdrukkingen… Ik schrijf liever in goed Frans, zelfs al betekent dat dat ik mijzelf beperk tot een Franstalig publiek. Dat is altijd nog beter dan zinloos Engels uit het onderste van de kan. Wat ook nog meespeelt is dat ik me nauwelijks kan voorstellen dat ik in het Engels zou moeten schrijven over middeleeuwse legendes uit Auvergne; dat zou gewoon nergens op slaan.

D: Toch lijkt het alsof France blackmetalbands in het algemeen vandaag de dag veel meer bereid zijn om in hun moedertaal te zingen dan bands uit, laten we zeggen, Scandinavië en Nederland. Deel je deze waarneming en heb je een mogelijke verklaring voor dit fenomeen?

A: Ik heb me nooit zo beziggehouden met welke talen er worden gebruikt door andere Franse bands. Ik denk dat veel van hen (en Sühnopfer is hierop geen uitzondering) in het Frans zingen, simpelweg omdat het, zoals je al hebt gezegd, hun moedertaal is, of omdat ze zich realiseren wat een rijke taal het is, of omdat het gebruik ervan zeer belangrijk is voor ons cultureel erfgoed. Op één of andere manier loopt Frankrijk een beetje achter met het spreken van vreemde talen en ik ben daar het wandelende voorbeeld van. In sommige Noord-Europese landen spreken mensen het Engels bijna net zo vloeiend als hun moedertaal, maar in Frankrijk zijn we nog heel ver van dat punt verwijderd… Het maakt me echter niet zoveel uit welke taal artiesten gebruiken, zolang ze maar eerlijk en origineel zijn; dat is wat ik het belangrijkste vind. Als een band daarentegen slecht Engels gebruikt met alle bijbehorende clichés, verdient het geen aandacht.

D: Ongeveer een jaar geleden werd bekend dat je op het nieuwe album van Peste Noire het slagwerk zou gaan verzorgen. Hoe belandde je in de bezetting van wat misschien wel Frankrijks beruchtste metalband is?

A: Ik had voorman Famine al verscheidene malen ontmoet tijdens concerten (we stonden met Sigillum Diabolicum in het voorprogramma van Peste Noire toen zij in 2007 optraden in Lyon), met name optredens van Aorlhac (Famine houdt van hun muziek). Ik had hem ook Nos sombres chapelles gegeven, een album waar hij van genoten moet hebben, aangezien hij in augustus 2012 contact met mij opnam omdat hij op zoek was naar een drummer voor de opname van zijn nieuwe album; het duurde niet lang tot we een overeenstemming bereikten. Het feit dat hij in de tussentijd naar Auvergne verhuisde heeft hier zeker een rol in gespeeld. Als je hier meer over wilt weten, moet je het interview met Famine lezen met betrekking tot dit album.

D: Peste Noires nieuwe, naar zichzelf vernoemde album is nu al een tijdje uit, wat een goede mogelijkheid biedt tot een terugblik. Hoe is het K.P.N.-avontuur tot nu toe voor je verlopen? Heb je veel reacties gekregen op je bijdrage, bijvoorbeeld van luisteraars of andere bands die geïnteresseerd zijn in je ‘diensten’?

A: Ik heb de drums vrij snel opgenomen (in zo’n anderhalve dag); ook speelde ik wat accordeon op een nummer (een instrument dat ik al in jaren niet meer had aangeraakt). Daarna hebben we nog een uitzonderlijk goed weekeinde gehad met Valnoir van Metastazis voor de albumfotografie. Al met al was ik erg tevreden over hoe ik erkend werdardraetfafa op deze plaat; bijna als een duo met Famine. Wat voor mij het belangrijkste was, was dat ik tevreden was met het resultaat. Aangezien we alles snel hebben opgenomen en deels geïmproviseerd, en ik me hield aan wat Famine wilde, was het slagwerk uiteindelijk wellicht niet zo spectaculair als op het werk van Sühnopfer of Christicide. De manier waarop we de drums hebben opgenomen, droeg hier ook aan bij. Uiteindelijk moet je je echter ook aanpassen aan de karakteristieken van de band waarin je speelt.

Ik ben meer dan eens gevraagd om in bands te spelen voordat ik me aansloot bij K.P.N.: sinds ik actief ben geweest in Sühnopfer, Christicide en Aorlhac, hebben een hoop mensen kunnen horen hoe ik drum, of het nou op albums is of op het podium. Elk jaar moet ik een paar verzoeken van bands afwijzen, die op zoek zijn naar een drummer voor in de studio of optredens. Mijn drukke schema dwingt mij daar simpelweg toe.

D: Nu we het toch over Peste Noire hebben: het feit dat de drijvende kracht achter dit project door de jaren heen steeds Famine is geweest, is onbetwistbaar. De andere leden zijn meermalen bestempeld als sessiemuzikanten die met hun technische vaardigheden bijdroegen aan de band, maar niets meer. Toch krijg ik de indruk – en zeg het me vooral als ik er naast zit – dat jij een volwaardiger lid bent van de groep dan denkmal-inv21muzikanten als Andy Julia en Neige, wiens taken binnen Peste Noire nogal beperkt waren. Dus vertel me, ben je, als de drummer en accordeonist van de groep, slechts een huurling in Kommando Peste Noire, of één van zijn onvervalste légionnaires?

A: Het is waar dat Famine het concept van Peste Noire heeft geschapen en altijd alle muziek heeft gecomponeerd sinds het begin. De band had al vier langspeelplaten uitgebracht toen ik erbij kwam. Eerst dacht ik dat ik enkel was opgeroepen als invaller voor de opnames van het nieuwe album, maar al snel begonnen we te praten over optredens die we konden organiseren (sommige van mijn goede vrienden gaan misschien ook meespelen met deze optredens). Zoals ik je al verteld heb, heeft Famines verhuizing naar Auvergne de zaken zeker een stuk makkelijker gemaakt: we zien elkaar regelmatig (hij heeft me zelfs beloond met een zangbijdrage op de nieuwe plaat van Sühnopfer) en ook al hebben we verschillende persoonlijkheden, we delen wel degelijk wat ideeën. Natuurlijk hoop ik dat deze samenwerking voort zal duren en dat K.P.N.’s reputatie alleen maar zal groeien.

D: Het jaar 2013 moet erg druk voor je zijn geweest: niet alleen het nieuwe Peste Noire-album werd uitgebracht; ook een gloednieuwe plaat van Christicide, Upheaval of the Soul getiteld, zag het daglicht. Zou je ons iets meer kunnen vertellen over jouw rol in de band? Ben je bijvoorbeeld betrokken bij het compositieproces?

A: Om te beginnen: Christicides nieuwste album is al begin 2011 opgenomen, maar het is pas veel later uitgekomen omdat de productie, de albumkunst en het drukken nogal wat tijd in beslag namen. Ik speel drums bij de band sinds 2008, net nadat ze hun eerste album hadden uitgebracht. Daarna brachten we een split uit met Cantus Bestiae en ook een zeer obscure opname van een optreden. Het belangrijkste is dat we behoorlijk veel hadden opgetreden voordat het album uitkwam. Scars is het brein achter de groep: hij componeert door gitaar te spelen (hoewel andere leden ook invloed hebben) en schrijft de teksten. Uiteraard ontwikkel ik de slagwerkpartijen naar eigen inzicht. Aangezien we niet dicht bij elkaar wonen, oefenen we niet vaak samen; doorgaans pas de dag voor een optreden, of om het compositieproces op gang te brengen.

D: Later in dit toch wel drukke jaar kunnen we eindelijk de nieuwe langspeler van Sühnopfer tegemoet zien. Ik kan me voorstellen dat het zelf inspelen van een CD een lang en veeleisend proces is. Dus vertel, hoe lang heb je aan het nieuwe album gewerkt en vanaf wanneer kunnen we ‘m kopen?

A: Terwijl ik dit schrijf heb ik nog steeds geen precieze datum van uitgave. Ik houd me in de komende dagen bezig met de productie en ik wacht nog op de zangbijdrage van een vriend; daarna zal alles klaar zijn. NKS van Aorlhac heeft het album opgenomen en gaat het binnenkort masteren. Daarna zullen jullie nog even moeten wachten totdat de CD’s ook daadwerkelijk gedrukt zijn… De tijd die hiervoor staat varieert, maar het kan soms behoorlijk lang duren (vooral als je je CD’s in Tsjechië laat drukken – red.).

Wat betreft het schrijven van de muziek: dit is een lang proces. Ten eerste is het ervan afhankelijk hoe lang het duurt voordat ik de gitaarpartijen bedenk (daarvoor is immers inspiratie nodig) en ze samenbreng totdat het volledige liederen zijn. Daarna moet ik extra gitaarpartijen maken die de basale zullen complementeren en zo de ruggengraat van de muziek gaan vormen. Dan is het tijd om na te gaan denken over de slagwerkpartijen. Wanneer dit proces is afgerond, neem ik de eerste demo op op mijn oude viersporencassette, zodat ik het slagwerk en de gitaren op elkaar af kan stemmen. Deze fase bereik ik doorgaans na een jaar. Pas dan kan ik na gaan denken over de teksten en maak ik betere arrangementen voor de drums en de gitaren; dit doe ik allemaal voordat ik het album ook daadwerkelijk op ga nemen. Ik houd me pas bezig met de basgitaar wanneer het slagwerk en de gitaren zijn opgenomen in de studio. Als laatste neem ik de zang op.

Om een voorbeeld te geven: het componeren van het nieuwe album voltooide ik tegen het einde van 2011, ik begon met opnemen in 2012 en was een jaar later klaar, in juni van 2013. Het duurt erg lang, voornamelijk omdat ik de middelen noch de kennis heb om alles zelf op te nemen, dus vraag ik vrienden om als geluidstechnici in te vallen, wetende dat ook hun schema’s behoorlijk druk kunnen zijn.

D: Centraal in Sühnopfer staat de middeleeuwse sfeer die wordt geleverd door middel van snelle, technisch sublieme black metal. In deze zin verschilt de muziek nogal van het gros van de Franse black metal: het is niet zo maf als Peste Noire, noch zo emotioneel als bands als Mortifera. Je zou kunnen zeggen dat Sühnopfer er een grotendeels Scandinavische stijl op na houdt die doordrenkt is met een Franse sfeer. Zal het nieuwe album een voortzetting zijn van dit concept, of heeft jouw recente betrokkenheid bij verscheidene experimentele projecten je misschien aangemoedigd om het ditmaal over een andere boeg te gooien? Ik hoop dat je in elk geval in het Frans blijft zingen!

A: Ten eerste: wees niet bang, ik zing alleen in het Frans! Zoals ik al heb uitgewezen, zijn de nummers al zo’n twee jaar klaar, dus ik zal geen grotere risico’s nemen omdat ik bij andere bands betrokken geweest.espada Waarschijnlijk zul je echter wel een evolutie waarnemen in de manier waarop ik speel en zing; een niet meer dan natuurlijke evolutie. Ik hoop dat ik een intenser en harder werk neerzet dan Nos sombres chapelles; het geluid zal zich altijd blijven ontwikkelen in algemene zin, maar ik blijf me aan dezelfde richtlijn vasthouden: nog steeds die middeleeuwse en ridderlijke sfeer, maar bij vlagen duisterder en ruiger.

Het nieuwe album zal Offertoire gaan heten, zal zeven nummers tellen en ongeveer 50 minuten duren; op twee nummers wordt gesproken over religieuze thema’s terwijl ik mij op andere liederen concentreer op bepaalde plekken en legenden uit Bourbonnais, allemaal binnen een middeleeuwse context. Je zult dit “Scandinavische” aspect wederom terugvinden, aangezien je er bekend mee bent dat ik behoorlijk beïnvloed ben door Sacramentum (Far Away From the Sun), Dissection en Setherial (Nörd); je hebt echter gelijk wanneer je zegt dat deze invloeden verheven zijn door het persoonlijke en lokale aspect van mijn muziek. Ik laat je dit nieuwe album beoordelen en we zullen zien of je het ermee eens bent, maar ik denk dat er geen andere Franse band black metal maakt op dezelfde manier als Sühnopfer. Ik hoop dat ik gedurende al deze jaren een project heb opgezet met een eigen persoonlijkheid.

D: Je begint langzamerhand een soort Franse Hellhammer te worden, als we kijken naar het aantal projecten waarin je actief bent. Zijn er nog bands, afgezien dan van de reeds genoemde, die we in de gaten moeten houden?

A: Dank je voor de vergelijking, al denk ik dat ik zo’n status niet bereikt heb. Naast Sühnopfer, Christicide en Peste Noire, hebben we Aorlhac al genoemd, die twee goede albums hebben uitgebracht en voor wie ik het slagwerk bij optredens verzorg; ook zal ik de drums op hun nieuwe album inspelen. Ik heb ook gezongen bij concerten van Sigillum Diabolicum; ze hebben verscheidene albums uitgebracht, maar ik hun totstandkoming heb ik zelf geen rol gehad. Ik heb zojuist de drums opgenomen voor Lemovice, een Franse oi-band. En dat is het wel zo’n beetje.

D: En zijn er ook groepen in Frankrijk in het algemeen die wat meer aandacht dan wel erkenning in het buitenland verdienen?

A: Aangezien ik nogal druk ben met mijn eigen werk, heb ik niet genoeg tijd over om nieuwe uitgaven van de Franse ondergrondse scene noch de belangrijke Scandinavische bands in de gaten te houden. Soms ontdek ik echter bands door vrienden of bij optredens. Een voorbeeld hiervan is het vroege werk van Darkenhöld, of in een andere categorie, mijn vrienden van An Norvys, die folk metal spelen.

D: Helaas, we zijn al aan het einde gekomen van dit interview. Heb je nog een advies of andere opmerkingen voor die lezers die niet gearresteerd zijn wegens het legaal aanschaffen van vuurwapens?

A: Haha, ik had zelf gearresteerd kunnen worden!

Wel, om te concluderen: wanneer het nieuwe album wordt uitgebracht op Those Opposed Records, is het de bedoeling dat ook Laments en L’aube des trépassés opnieuw worden uitgebracht; dit keer echter alleen op CD, aangezien beide bijna uitverkocht zijn. Nos sombres chapelles is ook bijna niet meer te krijgen, maar ik ben momenteel in gesprek methow-to-get-arrested2 de Duitse platenmaatschappij Deviant Records over de mogelijkheid tot een elpee-uitgave. Wellicht dat het nieuwe album door Those Opposed Records ook op vinyl uit wordt gebracht. De kleine Franse maatschappij The Way of Force heeft een cassetteversie van Nos sombres chapelles op de markt gezet en zal hetzelfde doen met het nieuwe album. Tevens zijn zij op het moment bezig met het samenstellen van een compilatie getiteld Morbid Tunes of the Black Angels: hierop zal een nummer van Sühnopfer te horen zijn, alsmede werk van vele andere getalenteerde Franse bands, zoals Christicide.

En dat is het dan. Bedankt voor dit interview en bedankt aan iedereen die Sühnopfer heeft gesteund, dan wel andere projecten waarin ik actief ben. Ik hoop dat jullie niet teleurgesteld worden door mijn nieuwe album. Zet het goede werk voort dat je hebt gedaan met je sterke analyses!

Aldus de conclusie van dit interview. De eerste van B.I.T. zelfs. Namens mijzelf en de andere redacteuren, dank aan Ardraos voor het vrijmaken van wat van zijn kostbare tijd om mijn vragen te beantwoorden. Opdat onze wegen zich weer mogen kruisen!

Met dank aan:
Leex – Vertaling van de antwoorden van Ardraos naar het Engels.
Ardraos – Het leveren van de meeste van de foto’s.
Valnoir van Metastazis – Foto’s van de K.P.N.-sessie.

Zie ook:
Onze recensie van SühnopferNos sombres chapelles
Onze recensie van Peste NoirePeste Noire
Onze recensie van Peste NoireL’Ordure à l’état Pur
Onze recensie van Peste NoireFolkfuck folie

Advertenties

De Toren

stapelklein

Tekst door Degtyarov
(For the English translation, click here)

Mijn blik valt op de talloze CD’s aan mijn linkerzijde. Sommige staan netjes in rekken, uniform opgestapeld gelijk een flatgebouw, op elke etage het oeuvre van een land dan wel genre: Franse en Franstalige muziek lopen naadloos over in Griekse black metal. Andere hebben minder geluk en vormen wankele, ongeordende masten. Noorse elektronica ligt op Nederlandse hiphop, terwijl Russische Oi wordt vergezeld door evangelische kinderpop. Het is twijfelachtig of van de meer dan honderd CD’s de helft ooit nog gedraaid zal gaan worden. De diversiteit van de muziek duidt op iemand die óf een schizofrene muzieksmaak heeft, óf muziek niet wegdoet als hij erop uit is gekeken; misschien wel allebei. Hierdoor verraadt de verzameling tevens verscheidene jeugdzonden. De weggemoffelde Dimmu Borgir-albums tonen aan dat ook de verzamelaar hiervan op de hoogte is. Ze staan onderaan, goed verborgen achter de façade van een stapel willekeurige meuk. rekken2Toch vormen ze het fundament van een toren, die, naarmate de wolken dichterbij komen, getuigen van een steeds fijnere smaak. De ivoren ornamenten op de gevel vormen een schril contrast met de met modder besmeurde basis, maar toch had de gevel er nooit kunnen staan zonder het fundament.

Wanneer ik verder om mij heen kijk, valt me op dat er nog weinig van dit soort verzamelingen bestaan; dat nog weinig van mijn vrienden thuis zo’n ‘toren’ hebben staan. Of het moet een soort digitale wolkenkrabber zijn waar van alles uitpuilt. En dat is begrijpelijk. Je moet wel een beetje gek zijn als je geld uitgeeft aan spullen die gratis zijn, of dat je tegen torenhoge verzendkosten pakketjes in laat vliegen terwijl je het binnen 10 minuten op je computer kunt hebben staan. Vroeger zat er nog een (licht) moreel luchtje aan downloaden, maar met initiatieven als Spotify en iTunes lijkt ook dat aspect weg te zijn gevallen. Dit maakt het dat het opbouwen van een fysieke muziekverzameling tegenwoordig te allen tijde een bewuste keuze is, aangezien gemakzucht en kostenbesparing beide in de richting van de digitale snelweg wijzen.

Het feit dat het aanschaffen van fysieke kopieën heden ten dage zowel de meest kostbare als omslachtige manier is om aan muziek te komen, impliceert dat de moderne verzamelaar per definitie een materialist is. Het enige waarneembare voordeel [1] van het kopen van CD’s, LP’s of zelfs cassettebandjes is immers het tastbare omhulsel: het doosje en het boekje. Toch heeft mijn persoonlijke keuze om niet op digitaal over te gaan niet te maken met het omhulsel, maar met de muziek zelf. Een overvloedig aanbod van muziek heeft namelijk ook een keerzijde: waarom zou je moeite doen voor een album wanneer de volgende download maar een paar muisklikken verder is? Zeker met metal is niet elk album, niet ieder nummer ‘liefde op het eerste gezicht’. Het heeft een dikke zeven jaar geduurd voordat ik Transilvanian Hunger van Darkthrone volledig kon waarderen, maar inmiddels mag het zich onder mijn favoriete albums scharen. Had ik de moeite genomen om het album eens in de zoveel tijd weer een kans te geven als het niet in mijn kast stond, maar een anonieme verzameling MP3’s op mijn computer was?

Misschien wel het grootste probleem in de muziekjournalistiek is de prevalerende macdonaldsmentaliteit. Het merendeel van de recensies die je op het internet terugvindt beperken zich tot twee à drie bondige alinea’s die eerder eerste indrukken formuleren dan diepgravende analyses van de muziek in kwestie. Albums worden ook regelmatig gerecenseerd op basis van YouTube-video’s [2], downloads of streams, wat hand in hand gaat met de hapslikwegmethode waarmee de muziek vervolgens benaderd en beoordeeld wordt. Op deze manier kan niet alleen meer muziek aan bod komen, maar kunnen ook de nieuwste albums gelijk (i.e. vaak nog vóór de officiële datum waarop ze uitgebracht worden) van een al dan niet ‘SEO-vriendelijke’ recensie worden voorzien (= meer verkeer, dus meer advertentiegeld). Aan het eind van het jaar kan er dan ook nog een top 10, 20 of 50 worden samengesteld met daarin zogenaamd de beste albums, EP’s en demo’s van dat jaar.

stapelgek

Het feit dat deze website in vele opzichten de antithese is van de zojuist beschreven benadering, is het onvermijdelijke resultaat van de manier waarop wij aan onze muziek komen; niet door gratis promo’s, via downloads of YouTube-escapades, maar bekostigd met hard werk (aangezien wij bewust niet voor reclame kiezen) ingevlogen vanuit verscheidene uithoeken van Europa en Canada. Aangezien een dergelijke werkwijze qua kwantiteit en recentheid niet kan opboksen tegen het gemak van het downloaden, moet elke CD-bespreking wel van hoge kwaliteit zijn. Zo blijft deze ook verscheidene jaren nadat de CD is uitgebracht nog relevant en kan de relatieve schaarste aan bijwerkingen van de website worden gecompenseerd met wat diepgaander leesvoer dat als referentiepunt kan worden gebruikt [3].

Door van een bespreking een referentiepunt te maken voor achtergrondinformatie over de muziek en de band, wordt een recensie meer dan een ‘koopgids’ die ‘de consument’ even vlot informeert over de nieuwste ‘producten’. Juist door middel van media als YouTube en Spotify kunnen muziekluisteraars zichzelf tegenwoordig prima informeren en hebben ze niet langer een journalist of welbespraakte liefhebber nodig die hen de weg wijst. De artikelen die hier te vinden zijn, kunnen even goed gelezen worden door iemand die nog nooit van de band in kwestie gehoord heeft, als door een persoon die al jaren diens complete discografie in de kast heeft staan. Een dergelijke aanpak zouden wij niet vol kunnen houden als we iedere week tien nieuwe albums moesten bespreken.

Ondertussen dwaalt mijn blik weer af naar mijn toren met CD’s. Sommige geordend in rekken, andere op de gok op een stapel gemieterd, maar allemaal tastbaar. Het valt van de helft van de meer dan honderd CD’s te betwijfelen of zij ooit nog gedraaid zullen gaan worden, maar voor elke CD is moeite gedaan en allemaal zullen zij binnen handbereik blijven. Niet alleen omdat het weggooien van CD’s weinig kosteneffectief is en meer moeite kost dan het wissen van een MP3, maar bovenal omdat zij samen de bouwstenen vormen van de toren die staat voor mijn persoonlijke muzikale geschiedenis. Een toren die in de digitale wereld ongetwijfeld veel hoger was geweest, maar ook veel wankeler, aangezien te veel bouwstenen van onbekende materie waren geweest. Dan toch liever mijn eigen kleine dorpstoren, met de hand opgebouwd en hard als ivoor.

Toren3

Notities
[1] Technisch gezien is ook de geluidskwaliteit beter, maar het is tegenwoordig vrij lastig om een audiobestand van hoge kwaliteit te onderscheiden van CD-kwaliteit. Het verschil is aanwezig, maar mijns inziens te miniem om een factor van formaat te kunnen zijn in de verhouding tussen de fysieke en digitale markt.

[2] Kijk bijvoorbeeld maar naar de recensies van L’Ordure à l’état Pur. In een groot aantal recensies spreekt men over “J’avais rêvé du Nord” delen 1 & 2, een nummer dat op het album gewoon één geheel is. Op YouTube bestond er tot voor kort echter een lengtelimiet voor HD-video’s, waardoor lange nummers als “J’avais rêvé du Nord” opgedeeld moesten worden. Recensies waarin over twee delen wordt gesproken, zijn dus gebaseerd op de YouTube-versie van het album. Zie ook informatie hierover in dit interview met Peste Noire.

[3] Dit bedoel ik in het opzicht dat onze besprekingen kunnen worden aangehaald om de achtergrond van een album of het concept van een band te kunnen vatten. Maar weinig andere recensies op het internet komen überhaupt toe aan het bespreken van thema’s als bandconcept, esthetiek en culturele achtergrond.

Huilen met corpsepaint op – Het probleem van (black)metaldocumentaires

pad

Tekst door Degtyarov
(For the English translation, click here.)

Zelfs al mag black metal één van de obscuurdere vertakkingen van metal zijn – de belangstelling van documentairemakers voor het subgenre is aanzienlijk. De fascinatie die (pseudo)journalisten koesteren voor black metal heeft echter vooral te maken met de mythe die eromheen hangt. De turbulente ontstaansgeschiedenis van het genre en diens relatief radicale karakter trekken nog altijd legioenen sensatiezoekers naar met name Noorwegen. Daarnaast maakt het ongepolijste karakter van black metal het dat amateuristisch geproduceerde documentaires over de stroming eerder geaccepteerd worden dan bij muzieksoorten die professionele productiewaarden hoog in het vaandel hebben staan. Om deze redenen is het gros van de blackmetaldocumentaires oppervlakkig, onvolledig, of zelfs niet om aan te zien. Nu is het zeker niet het geval dat er geen goede documentaires mogelijk zijn over dit onderwerp, maar voor de totstandkoming van meer volwaardige, volwassen reportages die voor zowel kenners als leken de moeite waard zijn, moet een aantal tot nu toe overheersende elementen weggefilterd worden. Wat volgt is een lijst van enkele verbeterpunten.

Focus op Noorwegen

Geen documentaire over black metal gaat voorbij zonder dat de controversiële gebeurtenissen in Noorwegen in de vroege jaren ’90 genoemd worden. De zelfmoord van Mayhem-zanger Dead, de moord van Varg Vikernes (Burzum) op Euronymous (Mayhem), de moord van Faust (Emperor) op een homoseksueel, de kerkbranden gesticht door blackmetalmuzikanten: allemaal onderwerpen die voor bijna iedere luisteraar van metal tot vervelens toe bekend zijn. En hoewel deze documentaires vaak pretenderen zich te richten op een publiek van kenners, worden deze oude koeien keer op keer uit de sloot gehaald. Het oprakelen van dergelijke uitgekauwde onderwerpen zou nog gerechtvaardigd zijn wanneer er vanuit een nieuw perspectief op de zaak zou worden gekeken, maar dit is vrijwel nimmer het geval[1]. De behandeling van de materie neemt vaak de vorm aan van postume verheerlijking van Øystein Aarseth, of liever gezegd de commerciële uitbuiting van het imago van de “Prins der Duisternis” dat hij om zichzelf heen had gebouwd.

Je zou een drankspelletje kunnen doen met deze foto.

Je zou een drankspelletje kunnen doen met deze foto.

Afgezien van het iet wat vermoeiende effect dat het tot in den treure uitmelken van de Euronymous-sage heeft op een ‘ervaren’ publiek, is de obsessie met de Noorse scene ook van een muzikaal standpunt steeds moeilijker te verdedigen. Hoewel niet te ontkennen valt dat veel van de hedendaagse blackmetalbands een groot deel van hun geluid en stijl te danken hebben aan de Noorse scene van begin jaren ’90, komen er vandaag de dag vrijwel geen toonaangevende bands meer uit Noorwegen. Sinds de jaren ’90 is black metal verder ontwikkeld in landen als Duitsland, Frankrijk en Griekenland. Dat blackmetaldocumentaires nagenoeg geen aandacht besteden aan black metal die niet uit Scandinavië dan wel Amerika afkomstig is, geeft aan dat de muzikale ontwikkeling van het genre documentairemakers nauwelijks interesseert. Het gaat hen uitsluitend om de mythe die bands als Burzum, Mayhem en Darkthrone omsluiert.

Het doorbreken van de mythe

En die mythe, dat is juist waar blackmetaldocumentaires, als Black Metal – A Documentary en zelfs het zeer aardige One-Man Metal zich in verslikken. Hoe je het namelijk ook wendt of keert, imago is een belangrijk onderdeel van black metal. Vrijwel iedere band omringt zich doelbewust met een bepaalde atmosfeer, of liever gezegd mythe. Artiesten gebruiken niet zonder reden schuilnamen, gezichtsverf, onduidelijke foto’s, onleesbare logo’s en al die elementen die een blackmetalband al ‘verraden’ voordat er ook maar een noot is gespeeld. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat black metal ‘theatraal’ is – de meeste goede bands zijn ondanks een geconstrueerd imago wel degelijk oprecht – maar het geeft aan dat een verkeerde soort blootstelling het zorgvuldig opgebouwde concept achter de muziek als een kaartenhuis ineen kan doen storten.

Zo gauw blackmetalartiesten in documentaires hun mond opentrekken, gebeurt dit dan ook regelmatig. Dit heeft uiteenlopende oorzaken. Een camera maakt mensen van nature kwetsbaarder, een positie waarin een muzikant uit de extreme metal zichzelf zelden graag terugvindt. Daarnaast moet men constateren dat muzikanten niet altijd getalenteerde sprekers zijn en metalheads in het algemeen vaak niet de pretentie van slimheid die van de muziek uitgaat, kunnen waarmaken. Bands die met veel poe-ha filosofische ideeën en moeilijke woorden in hun teksten verwerken, worden dan – dikwijls na een concert – hierover uitgehoord en kunnen vervolgens alleen reageren met verwarde dronkenmanspraat. Tenslotte hebben blackmetalmusici in het bijzonder nogal eens rare trekjes die niet in hun muziek, maar wel in een interview naar voren komen. Een goed voorbeeld hiervan is Scott “Malefic” Conner van Xasthur, die zich in One-Man Metal bijzonder kwetsbaar opstelt en dien ten gevolge bijna autistisch overkomt.

De positie van USBM

Wanneer men er in een zeldzaam geval voor kiest de Noorse blackmetalscene even te laten voor wat het is, wordt er geen vlucht geboekt naar Midden-Europa om daar wat zeer getalenteerde en relevante musici uit te horen, maar blijven de dikwijls uit Amerika afkomstige documentairemakers lekker thuis om zich vervolgens te storten op de USBM-scene. Hoewel in de laatste jaren bands als Wolves in the Throne Room ook in Europa een voet aan de grond hebben gekregen, heeft Amerikaanse black metal onder het Europees publiek bij lange niet de reputatie die het in documentaires dikwijls wordt toegedicht. In Nederland kijkt men voor goede black metal vooral naar Duitsland, Frankrijk en bepaalde producten van eigen bodem (Urfaust et al.). USBM wordt hier en in grote delen van Europa maar in zeer beperkte mate serieus genomen.

Reactie van de gemiddelde Nederlander bij het horen van USBM.

Reactie van de gemiddelde Nederlander bij het horen van USBM.

Amerikaanse documentairemakers lijken zich dit niet te realiseren wanneer zij op pompeuze wijze het aandeel van de Verenigde Staten is het vormen van het blackmetalgenre opblazen. Een bewering die uit één van de talloze documentaires naar voren kwam is dat, waar de zogenaamde ‘second wave‘/tweede golf van black metal uit Noorwegen kwam, de derde golf uit Amerika zou komen, implicerend dat bands als Xasthur en Judas Iscariot een groter aandeel zouden hebben in het definitief volwassen worden van het genre dan bands als Peste Noire and Varathron. Buiten Amerika wordt USBM in het beste geval gezien als een aardige imitatie van Europese black metal en in het ergste geval als een lachertje. De aandacht die in blackmetaldocumentaires juist aan deze scene wordt besteed is dus buiten proportie en zal, wil een documentaire echt als relevant worden beschouwd, drastisch moeten worden teruggebracht.

Achtergrond van de documentairemakers

Blackmetaldocumentairemakers zijn onder te verdelen in twee groepen[2]. Aan de ene kant heb je fans die erg dicht bij de scene staan en dus vrij veel van het genre weten, maar niet de vaardigheden of middelen hebben om die kennis op een degelijke manier naar het witte doek te vertalen. Dan zijn er de professionele documentairemakers die wel weten hoe je een documentaire moet regisseren, monteren en presenteren, maar niet de kennis bezitten om de relevante materie naar voren te brengen. Onbekend als ze zijn met het genre, verwonderen ze zich maar al te graag over de Noorse scene, niet wetende dat het verhaal hierover al talloze malen verteld is. Dikwijls blijken zij ook nauwelijks op de hoogte van wat black metal eigenlijk is. In de aflevering over heavy metal van Metropolis, werd een metalcoreband bijvoorbeeld bestempeld als ‘black metal’ en werd Amerika het ‘thuisland van de metal’ genoemd, allebei voorbeelden van foutieve informatie die de onbekendheid van de journalisten met het genre verraad. Ook betekent het gebrek aan kennis dat de interviewers vaak niet de juiste vragen stellen, niet genoeg doorvragen en te weinig weerstand bieden tegen wat de muzikanten vertellen dan wel op de mouw spelden.

Ook de interviewers die in de fancategorie vallen hebben problemen enige ‘journalistieke integriteit’ te waarborgen. Waar dit bij de professionele documentairemakers vooral voortkomt uit pure onwetendheid, zijn de fanjournalisten vooral bang hun idolen te beledigen door hen tegen te spreken. Daar komt nog bij dat de fanjournalisten de neiging hebben om de ideologische achtergrond van het subgenre uit te diepen zonder dat zij over de hiervoor vereiste kennis beschikken. Een goed voorbeeld hiervan is Black Metal Satanica, waar aan het begin van de documentaire op zeer klunzige wijze een parallel wordt getrokken tussen de Noorse blackmetalscene en de geschiedenis van de Vikingen. Willen documentairemakers geloofwaardig overkomen, zullen zij ook dit soort pseudowetenschappelijke analyses achterwege moeten laten.

Samenraapsel van gasten

Hoewel een overzichtelijke montage en het stellen van de juiste vragen belangrijk zijn, staat of valt een documentaire over metal (of welk onderwerp dan ook) met de gasten. Zo was het concept van Until the Light Takes Us weinig interessant (zie ‘Focus op Noorwegen’), maar werd de documentaire deels gered door de diepgaande interviews met Fenriz (Darkthrone) en Varg Vikernes. Hetzelfde geldt voor de documentaires Pure Fucking Mayhem en Once Upon a Time In Norway, die alleen al door de bijdragen van Kjetil Manheim (ex-Mayhem) de moeite waard zijn.

Prinsen der Duisternis

Prinsen der Duisternis

Het is echter een zeldzaamheid dat documentairemakers interessante gasten weten te strikken. Omdat de blackmetalscene nou niet echt uit elkaar barst van de mediagenieke personen, neemt men bij het maken van een documentaire al snel genoegen met de mindere goden. Het criterium is dan niet of de gast in kwestie iets gepresteerd of iets toe te voegen heeft, maar eerder of hij überhaupt wil verschijnen in een documentaire. Dat is de enige verklaring voor het feit dat de zanger van Gloomy Grim (volwassen bandnaam, overigens) in meerdere documentaires de kans krijgt om het publiek de les te lezen over wat ‘echte’ black metal zou zijn. Willen blackmetaldocumentaires een respectabel niveau krijgen, moet het doel vanuit de makers worden bijgesteld: het uitgangspunt moet zijn om een goede blackmetaldocumentaire te maken. Als je de gasten die dat streven zouden kunnen waarborgen, niet kunt strikken, moet je ervoor kiezen om de documentaire dan maar niet te maken, in plaats van met een halfbakken, schizofreen eindproduct op de proppen te komen waar niemand wat aan heeft.

Conclusie

Hoewel sommige documentaires over black metal mij om uiteenlopende redenen wel hebben kunnen bekoren, blijft hun gemiddelde niveau bedroevend. Een volwassenere productie, een meer journalistieke invalshoek, een verfrissendere focus en een betere verzameling sprekers zijn allemaal nodig om dit niveau om hoog te kunnen krikken. Zo zou het zeer welkom zijn als een documentaire zich zou toespitsen op de culturele achtergronden van black metal in verschillende landen, iets wat tot nu toe terra incognita is voor documentairemakers. Tot dit soort projecten daadwerkelijk van de grond komen, zul je je voor inzichten in de achtergrond van de black metal moeten wenden tot andere media. Zoals het internet. Probeer bijvoorbeeld eens een zeer aardige website genaamd Bevroren Ivoren Toren.

ivtor

Baken van Duisternis

Notities
[1] Een uitzondering op de regel is Once Upon a Time In Norway, waarin de mythe rond Euronymous gedeconstrueerd wordt door de directe betrokkenen. Hoe de situatie in Noorwegen zo had kunnen escaleren wordt in een individuele, sociale context geplaatst in plaats van een ideologische. Dit komt vooral door bijzonder nuttige en interessante bijdragen van sprekers als Kjetil Manheim (exdrummer Mayhem) en Anders “Neddo” Odden (Cadaver), die het prevalerende beeld van de “Prins der Duisternis” vervangen door een vrij sukkelige jongen die door zijn eigen waanideeën op hol sloeg.

[2] Eigenlijk is de enige uitzondering die ik mij voor de geest kan halen de documentaire One-Man Metal, die is gemaakt door competente journalisten die daarnaast zeer vertrouwd zijn met de in hun documentaire behandelde materie. Tevens hebben zij de drukkende atmosfeer van black metal enigszins in stand weten te houden door alle beelden zwart-wit te maken. Het waren eigenlijk alleen de gasten die afbreuk deden aan een anders foutloze documentaire. Naast het feit dat de behandelde bands, afgezien van misschien Leviathan, gewoon niet erg hoogstaand zijn, werken beelden als die van Russell “Sin Nanna” Manzies (Striborg) die in het een grot staat te schreeuwen vooral op de lachspieren. Zie ook het punt over het doorbreken van de ‘mythe’.

Links naar de voor dit artikel bekeken documentaires
Black Metal – A Documentary
Black Metal Satanica
“Metalheads” (Metropolis)
Once Upon A Time In Norway *
One-Man Metal *
Pure Fucking Mayhem
Until the Light Takes Us *
“True Norwegian Black Metal” (Vice)

* Aanbevolen