Het eeuwige offer

Het interview is ook beschikbaar in het Engels en Frans. De Engelse vertaling van de antwoorden is gedaan door Leex.

English | français

sühnlogo

Zij die graven in de diepste krochten van de Franse black metal, zullen ongetwijfeld zwarte goudaderen ontdekken, die daar al een eeuwigheid liggen, verstopt van een wereld die hun geheimen niet aankan. Soms wordt dit eenzame pad bewust gekozen en wensen de artiesten in kwestie anoniem te blijven, ver verwijderd van de wereld van het licht. Zo meden Les Légions Noires faam en bekendheid op dezelfde manier als velen hun muziek vreesden; een testament van authenticiteit voor sommigen, of wanhopige pretentie voor anderen; buiten kijf staat dat de grote interesse van de buitenwereld de Légions niet verleidde om in het licht te stappen – wellicht omdat zij wisten dat zij aan obscuriteit hun bestaansrecht ontleenden.

Het komt ook voor dat een dergelijke obscuriteit niet het resultaat is van de perfect uitgestippelde creatie van een mythe, maar eerder van factoren als een gebrek aan promotie, sporadische activiteit of zelfs botte pech. Zo kan een band verstoken blijven van aandacht van het grote publiek omdat de bandleden niet ieder uur van de dag op Facebook hun spullen zitten te promoten, of om de nog banalere reden dat de bezetting geen musici telt die reeds hun sporen verdiend hebben.

Uit de historisch rijke regio Auvergne, in het midden van Frankrijk, komt zo’n band, wiens gebrek aan erkenning een aanklacht is tegen goede smaak. Deze onheilige entiteit staat bekend onder de naam Sühnopfer, het blackmetalproject van multi-instrumentalist en enig lid Ardraos. Sinds de oprichting in 2000 heeft Sühnopfer een kwantitatief bescheiden discografie opgebouwd van drie demo’s, een EP en een langspeelplaat. Aangezien vooral de laatste twee uitgaven zonder twijfel behoren aan het beste wat de Franse blackmetalscene te bieden heeft, blijft het een mysterie waarom mensen die überhaupt van Sühnopfer gehoord hebben, nog moeilijker te vinden zijn dan de eerste demo’s van de band.

Nu Ardraos zich echter heeft aangesloten bij Kommando Peste Noire en het slagwerk op hun laatste plaat heeft verzorgd, zullen de dramatische gitaarpartijen, de grimme middeleeuwse sfeer en de keiharde drums van Sühnopfer wellicht eindelijk de oren van het grotere publiek bereiken. En met een nieuwe langspeelplaat in het verschiet is er ook geen reden meer om dit project nog langer te blijven negeren. Om eens vooruit te blikken op de opvolger van Nos sombres chapelles (2010), ging ik om tafel met het brein achter alles, Ardraos, en bespraken ik met hem zijn projecten, het nieuwe album en de Franse cultuur.

Degtyarov: Laten we beginnen met het verklaren van het concept en de geschiedenis achter Sühnopfer. Sommigen zullen immers nog niet bekend zijn met dit nogal ondergrondse project. Wat waren de omstandigheden die tot de creatie van de band hebben geleid en hoe is het bandconcept door de jaren heen geëvolueerd?

Ardraos: Hail! Laten we inderdaad beginnen met een kleine terugblik:

Ik richtte Sühnopfer op in het jaar 2000, toen ik ongeveer 15 jaar oud was. Toentertijd verzorgde ik reeds het slagwerk voor lokale blackmetalbands, waardoor ik meer en meer geïnteresseerd raakte in alle andere instrumenten, zodat ik mijn eigen muziek kon componeren. Ik heb dan ook alle nummers van Sühnopfer zelf geschreven en ingespeeld.

Uiteraard was het begin niet al te groots… Eerst moest ik alle instrumenten onder de knie krijgen en ook nog eens de composities voor mijn rekening nemen. Mijn eerste democassette, The Eternal Sacrifice uit 2001, was een soort van compilatie van nummers die ik sporadisch had opgenomen op mijn viersporencassette. De thema’schateau van de teksten waren vrij doorsnee: als je 15 bent en net begint met het spelen van black metal, word je duidelijk beïnvloed door de groepen waarnaar je luistert. En in deze periode van je leven, of je je er nou van bewust bent of niet, wil je altijd tot een groep of stroming behoren, waardoor je ook diens blauwdrukken kopieert. In het geval van black metal waren dat voornamelijk expliciet antireligieuze gevoelens die nog niet bepaald verteerd waren.

Na deze periode bracht ik twee andere demos uit, te weten Shades of Thy Beauty in 2003 en Laments in 2004. Gedurende deze eerste paar jaar ontwikkelde mijn muziek zich in de richting van een melodieuzere en bovenal persoonlijkere vorm van black metal. Mensen uit de ondergrondse blackmetalscene in Frankrijk ontdekten me dankzij Laments. Deze demo is overigens recent opgenomen in de Antologie du black metal, geschreven door mijn vriend Guudrath en uitgegeven door Camion Blanc.

Ik denk echter dat de eerste echte mijlpaal voor Sühnopfer, de opname van mijn eerste EP door een platenmaatschappij (Eisiger Mond) was: L’aube des trépassés uit 2007. In die periode van mijn leven raakte ik steeds meer geïnteresseerd in de middeleeuwen en de relieken uit deze periode in mijn regio (Auvergne – red.). Mijn vaardigheden wat betreft het schrijven en spelen van muziek hadden zich ook ontwikkeld. Daarbovenop kwam dat ik verlangde naar afzondering en overpeinzing.

Deze EP werd wijder verspreid, goed ontvangen en was daarom een doorbraak in het Franse blackmetallandschap. Die gast van Horna bood me zelfs nog aan om de EP als een bandje uit te brengen. Iets als dat had ik simpelweg niet verwacht toen ik met mijn project begon. Toch bleef ik vasthouden aan dezelfde doelstelling: vooral muziek maken die ik zelf goed vind, voor mijn eigen plezier: dit maakt mijn werk uniek.

Na deze doorbraak kwam er niet veel verrassends meer op mijn pad… L’aube des trépassés had nog wat kleine tekortkomingen en Sühnopfers eerste echte langspeelplaat werd in 2010 uitgebracht door Those Opposed Records, tien jaar na de oprichting dus. Met Nos sombres chapelles kon ik de groei laten zien die mijn muzikale techniek en mijn composities hadden doorgemaakt. Het was een echte muzikale en persoonlijke prestatie. Ik had ook de thematiek ontwikkeld die ik op mijn EP reeds was begonnen te behandelen, zodat het de middeleeuwse, ridderlijke, obscure en religieuze dimensie van de muziek ten goede zou komen. Dit deed ik door het toevoegen van aspecten van mijn ‘terroir’ (het plaatselijke – red.), typisch voor mijn thuisland. Zelfs vandaag laat dit land zien hoe krachtig, glorieus en duister het was.

D: Sühnopfer mag dan (nog) niet eenzelfde hoeveelheid aan faam verworven hebben als sommige andere Franse blackmetalbands, maar hoe is je muziek in de loop der jaren ontvangen? Heb je bijvoorbeeld veel buitenlandse fans?

A: Sühnopfer werd voor het eerst uitgegeven in Frankrijk en is sinds 2007 in het buitenland bekend dankzij platenmaatschappijen. Ik heb tot dusver echter maar één langspeelplaat uitgebracht (al komt er binnenkort een tweede) en een EP. Dat is de reden dat ik nog steeds bekender ben in Frankrijk dan daarbuiten, al zijn er dankzij platenmaatschappijen en het internet al wel wat buitenlanders op Sühnopfer afgekomen.

Laat me je er ook op wijzen dat ik niet zoveel aan prostitutie, sorry… promotie doe op het internet (ik heb een officiële webpagina die ik bij tijd en wijlen bijwerk). Ook doe ik geen optredens, noch rol ik in het geld, dus wordt het een beetje moeilijk om advertenties in bladen te betalen. Daar komt nog bij dat ik geen webmaster in kan huren, of zo’n oliedomme manager zoals zoveel andere groepen hebben gedaan. Ik kan überhaupt niet altijd tijd vrijmaken om één of ander promotieproces in gang te zetten, aangezien ik nog in andere groepen speel en bovendien ook een baan heb.

Maar gelukkig is faam niet waar ik naar op zoek ben; ik doe gewoon wat ik wil en dat doe ik zo goed mogelijk… Als mensen er geïnteresseerd in raken, geeft dat natuurlijk een voldaan gevoel (waarom zou je je anders een slag in de rondte werken om een zo goed mogelijk album te maken?). Wellicht dat de nogal melodieuze en middeleeuwse black metal niet zo populair is als andere genres… Deze muziek is niet basaal, noch gestoeld op 3 gitaarmelodieën; de compositie en de instrumentatie vereisen een minimum aan aandacht tijdens het luisterproces, zodat alle details herkend kunnen worden… Daarom is het voor sommige mensen misschien niet zo makkelijk te behappen…

Zoals ik eerder al zei, heb ik een hoop positieve reacties gekregen sinds L’aube des trépassés en Nos sombres chapelles… Hoewel, er zijn altijd wel een paar eikels die zeggen: “het is niet genoeg zus” of “het is te veel zo”, terwijl ze zelfs niet eens een instrument vast kunnen houden. Maar ik houd me niet zo bezig met positieve of negatieve reacties; diegenen die willen weten wat anderen van mijn muziek vinden, kunnen er simpelweg de recensies op naslaan.

Ter conclusie zou ik kunnen zeggen dat Sühnopfers faam groeiende is dankzij mijn betrokkenheid bij andere groepen en ik hoop dat dit effect met het volgende album alleen maar sterker zal worden.

ardraoskpn

D: Fenriz heeft herhaaldelijk gezegd dat, hoewel hij dikwijls gezien wordt als “de drummer van Darkthrone”, hij warmere gevoelens koestert voor de basgitaar. En ook al ben je zelf een gevestigde multi-instumentalist, ik zie je persoonlijk nog steeds als een drummer; niet eens zozeer omdat dit het instrument is wat je bespeelt in Peste Noire, Christicide en een meervoud aan andere groepen, maar omdat het slagwerk zo’n prominente rol vervult in je werk met Sühnopfer. Dus, ‘voel’ je je een drummer, of heb je toch liever een ander instrument?

A: Hoewel ik ben begonnen met muziek op mijn zesde, toen ik accordeon leerde spelen, heb ik me altijd meer aangetrokken gevoeld tot de drums (ik begon uiteindelijk met oefenen toen ik ongeveer 14 was). De andere instrumenten leerde ik pas later te bespelen; ik zie mijzelf bovenal als drummer. Ik houd er natuurlijk ook van te oefenen met de gitaar en de basgitaar als ik voor Sühnopfer aan het componeren geslagen ben, maar het slagwerk voert de boventoon in al mijn muziekgerelateerde activiteiten.

D: Nu je toch het onderwerp componeren hebt aangesneden: toen ik voor de eerste keer naar Nos sombres chapelles luisterde – en dan met name het titelnummer – klonk de muziek alsof je de drumpatronen eerst had geschreven en de gitaarmelodieën er pas later aan waren toegevoegd. Hoewel ik geen idee heb of het componeerproces daadwerkelijk zo in elkaar zit, vraag ik me toch af of er een kern van waarheid zit in het idee dat de composities en structuren van Sühnopfers muziek aanzienlijk meer op het slagwerk gestoeld zijn dan de gebruikelijke blackmetalband.

A: Het mag dan klinken alsof het slagwerk als eerste gecomponeerd is, maar dit is niet het geval. Bij het creëren van nieuwe nummers voor Sühnopfer, begin ik altijd met de gitaarmelodieën. Zo gauw die geschreven en gearrangeerd zijn (meestal resulterend in drie geharmoniseerde doch verschillende gitaarmelodieën), verdiep ik mij in de slagwerkpartijen, waar ik een flinke tijd aan besteed zodat ze goed samengaan met de gitaarpartijen en mijn expertise naar voren brengen. Daarna doe ik mijn uiterste best om de drums op te nemen, aangezien dat mijn favoriete instrument is. Wat jij hebt gehoord, is simpelweg de manier waarop ik speel; de indruk dat de drumpartijen als eerste werden gecomponeerd, kan ik niet verklaren… Het kan komen omdat het slagwerk nadrukkelijker aanwezig is in de productie dan bij andere, ‘normale’ groepen: als percussionist ben ik er zeker aan gelegen om de nadruk te leggen op het slagwerk. Hoe het ook zij, ik zou willen dat mensen zich ook op de gitaren concentreren, omdat ik daaraan de meeste tijd kwijt ben en ze, naar mijn mening, de ziel van Sühnopfers nummers vormen.

D: Sühnopfer lijkt in het bijzonder gebonden te zijn aan de regio waar het project vandaan komt – Auvergne. Je hebt zelfs een Auvergnats embleem op je rug getatoeëerd. Ik weet dat het bijvoorbeeld in Spanje vrij moeilijk zou zijn je te identificeren met regio’s als Catalonië of Galicië zonder op z’n minst het vermoeden aan te wakkeren van een politieke dimensie. Heeft een dergelijke regionale affiniteit connotaties van regionalisme dan wel separatisme in Frankrijk? En zo ja, heeft dit enig effect op je muziek?

A: Ten eerste voel ik mij verbonden aan Bourbonnais (wiens wapen op mijn rug is getatoeëerd): het is de oude provincie die aan de Hertogen van Bourbon behoorde. Dit gebied correspondeert ongeveer met het huidige departement van Allier en maakt heden ten dage administratief gezien deel uit van Auvergne. Ik ben geboren in Bourbonnais – en hetzelfde geldt voor mijn voorvaderen – te midden van zijn beboste platteland, in Zuid-Bourbonnais (of Noord-Auvergne). Hierdoor kon ik een groot deel van de regio ontdekken. Je zult altijd mensen hebben die beweren dat Auvergne achtergesteld is. Het is waar dat het weer zwaar is en er een groot aantal lege stukken land is, alsmede verspreide, afgelegen gehuchten… maar dat is het type landschap dat echte karakters vormt, niet verstedelijkte nichten. In z’n algemeenheid denk ik dat hier alles is wat je nodig hebt om vredig te kunnen leven. We hebben zoveel verschillende landschappen, dorpen, relieken en natuurlijke plekken. Hieruit probeer ik tevens de energie te halen waarmee ik mijn muziek meer sfeer kan geven.

tattoo

Ik heb tot dusver echter zelden mijn regio in mijn teksten genoemd (enkel in twee nummers: “Brûme sur le châstel” en “Espérance”). Mijn volgende album bevat wat nummers die gebaseerd zijn op lokale legenden die verbonden zijn aan specifieke locaties (bijvoorbeeld het kasteel van l’Ours in Allier, waar mijn meest recente foto’s genomen zijn). Ik houd er nog het meest van afbeeldingen, monumenten en landschappen te gebruiken, die ons vanuit onze lokale culturele erfenis en diens charme en sfeer worden toegereikt. Ik denk simpelweg dat het goed samengaat met de thematiek waar ik mij mee bezighoud. Ik mag dan in verbinding staan met mijn wortels, maar Sühnopfer is geen regionalistische band in politieke zin, al kan de meest subtiele verwijzing naar een stuk land in de albumkunst ertoe leiden dat een groep als regionalistisch wordt bestempeld.

Wat betreft het regionalisme: het is in de loop der jaren vrij populair geworden in Frankrijk, al wordt het soms misbruikt… Door de geschiedenis van Frankrijk heen – en dan in het bijzonder in de laatste paar eeuwen – zijn lokale gebruiken en dialecten steeds meer verdwenen, om zo een eensgezind territorium van ons land te maken. Er bestaat bijvoorbeeld in Corsica redelijk wat sympathie voor de separatistische zaak (wat makkelijk te begrijpen is, gezien de historische en geografische eigenaardigheden van dit eiland), maar niet in andere regio’s, al beweren sommige hun eigen identiteit te hebben (zoals Bretagne of Alsace). De administratieve structuur in Frankrijk is echter anders dan wat we zien in Spanje of Duitsland, waar de regio’s meer onafhankelijkheid genieten. Je moet weten dat, in Frankrijk, onze “régions administratives” pas sinds de tachtiger jaren bestaan en gebaseerd zijn op verenigde ‘départements’, kleinere en oudere administratieve eenheden (sorry voor deze lezing over Frans binnenlandbeleid). Er bestaat een vrij eigenaardige paradox in Frankrijk: als je zegt “ik hou van mijn regio”, is dat prima; het maakt immers deel uit van de folklore. Maar wanneer je zegt “ik hou van mijn land”, wordt dat gezien als een racistische uitspraak… Kun je nagaan.

Wel, als je wilt teruggaan naar een identiteit die dieper geworteld is in je regio, is het positief op cultureel niveau, een verbetering en bovenal een tegenwicht tegen de manier waarop de ontwortelde en ongecultiveerde jongeren in Frankrijk zich tegenwoordig gedragen.

D: Om nog even door te gaan op de cultuur van Frankrijk en Europa: een bijzonder detail van Sühnopfer is het feit dat de eerste paar demo’s in het Engels werden gezongen, maar dat je sinds L’aube des trépassés bent overgestapt op het Frans. Normaal gesproken gebeurt dit omgekeerd. Groepen als Enslaved schakelden over naar het Engels om een groter publiek te bereiken (al proberen ze op lachwekkende wijze te ontkennen dat dat de reden was), maar het lijkt mij onwaarschijnlijk dat je op het Frans bent overgestapt om een, tsja, kleiner publiek aan te spreken. Is er een speciale reden waardoor je in het Frans bent gaan zingen?

A: Je hebt gelijk, mijn teksten waren op de eerste drie demo’s in het Engels, afgezien dan van een Frans nummer op Laments. Ik begon met L’aube des trépassés Frans te gebruiken, simpelweg omdat ik in het Engels niet volledig de gevoelens tot uitdrukking kon brengen, die ik over wilde brengen met mijn muziek: mijn woordenschat is namelijk vrij gelimiteerd in die taal. Daar komt nog bij dat ardraxede thema’s van de teksten mij toestonden om bepaalde woorden en uitdrukkingen uit het Oudfrans toe te voegen (dat droeg tevens bij aan mijn nummers door ze van een donkerdere laag te voorzien).

Bijvoorbeeld, op “Vous, ou la Mort”, een nummer dat gaat over vergeten middeleeuwse tradities, gebruik ik woorden die verdwenen zijn uit de Franse taal, maar gebruikt moesten worden omdat ze zo goed bij het onderwerp pasten dat ik behandelde.

Wees echter niet bang dat ik al mijn teksten in het Oudfrans zal gaan schrijven. Dit zou immers te moeilijk te begrijpen zijn voor zowel mijzelf als het publiek. Naar mijn mening staat de Franse taal een mengeling van oude en nieuwe woorden toe wanneer de tekstuele thema’s in hun context worden gepresenteerd. Wat ik belangrijk vind bij het schrijven van teksten, is het zoeken van thema’s en historische details, en die verwerken in de bijbehorende sfeer.

Het je meester maken van de moderne Franse taal is overigens best een prestatie voor veel mensen wanneer je je bedenkt hoe het in het dagelijks leven verneukt wordt… Ik was een paar jaar terug leraar en ik kan je vertellen dat 80% van de Franse studenten geen tekst kan schrijven zonder fouten te maken in de spelling of grammatica. Wanneer ik echter zelf een student was, kregen we van de leraren altijd op onze kloten als we ook maar een klein foutje maakte. Door de jaren heen zijn we mild geworden en het lijkt niemand iets uit te maken… Het is een ware culturele ramp.

Als ik door was gegaan met het schrijven van teksten in het Engels, was ik mezelf ongetwijfeld gaan herhalen met het schrijven van uitgekauwde, gestandaardiseerde uitdrukkingen… Ik schrijf liever in goed Frans, zelfs al betekent dat dat ik mijzelf beperk tot een Franstalig publiek. Dat is altijd nog beter dan zinloos Engels uit het onderste van de kan. Wat ook nog meespeelt is dat ik me nauwelijks kan voorstellen dat ik in het Engels zou moeten schrijven over middeleeuwse legendes uit Auvergne; dat zou gewoon nergens op slaan.

D: Toch lijkt het alsof France blackmetalbands in het algemeen vandaag de dag veel meer bereid zijn om in hun moedertaal te zingen dan bands uit, laten we zeggen, Scandinavië en Nederland. Deel je deze waarneming en heb je een mogelijke verklaring voor dit fenomeen?

A: Ik heb me nooit zo beziggehouden met welke talen er worden gebruikt door andere Franse bands. Ik denk dat veel van hen (en Sühnopfer is hierop geen uitzondering) in het Frans zingen, simpelweg omdat het, zoals je al hebt gezegd, hun moedertaal is, of omdat ze zich realiseren wat een rijke taal het is, of omdat het gebruik ervan zeer belangrijk is voor ons cultureel erfgoed. Op één of andere manier loopt Frankrijk een beetje achter met het spreken van vreemde talen en ik ben daar het wandelende voorbeeld van. In sommige Noord-Europese landen spreken mensen het Engels bijna net zo vloeiend als hun moedertaal, maar in Frankrijk zijn we nog heel ver van dat punt verwijderd… Het maakt me echter niet zoveel uit welke taal artiesten gebruiken, zolang ze maar eerlijk en origineel zijn; dat is wat ik het belangrijkste vind. Als een band daarentegen slecht Engels gebruikt met alle bijbehorende clichés, verdient het geen aandacht.

D: Ongeveer een jaar geleden werd bekend dat je op het nieuwe album van Peste Noire het slagwerk zou gaan verzorgen. Hoe belandde je in de bezetting van wat misschien wel Frankrijks beruchtste metalband is?

A: Ik had voorman Famine al verscheidene malen ontmoet tijdens concerten (we stonden met Sigillum Diabolicum in het voorprogramma van Peste Noire toen zij in 2007 optraden in Lyon), met name optredens van Aorlhac (Famine houdt van hun muziek). Ik had hem ook Nos sombres chapelles gegeven, een album waar hij van genoten moet hebben, aangezien hij in augustus 2012 contact met mij opnam omdat hij op zoek was naar een drummer voor de opname van zijn nieuwe album; het duurde niet lang tot we een overeenstemming bereikten. Het feit dat hij in de tussentijd naar Auvergne verhuisde heeft hier zeker een rol in gespeeld. Als je hier meer over wilt weten, moet je het interview met Famine lezen met betrekking tot dit album.

D: Peste Noires nieuwe, naar zichzelf vernoemde album is nu al een tijdje uit, wat een goede mogelijkheid biedt tot een terugblik. Hoe is het K.P.N.-avontuur tot nu toe voor je verlopen? Heb je veel reacties gekregen op je bijdrage, bijvoorbeeld van luisteraars of andere bands die geïnteresseerd zijn in je ‘diensten’?

A: Ik heb de drums vrij snel opgenomen (in zo’n anderhalve dag); ook speelde ik wat accordeon op een nummer (een instrument dat ik al in jaren niet meer had aangeraakt). Daarna hebben we nog een uitzonderlijk goed weekeinde gehad met Valnoir van Metastazis voor de albumfotografie. Al met al was ik erg tevreden over hoe ik erkend werdardraetfafa op deze plaat; bijna als een duo met Famine. Wat voor mij het belangrijkste was, was dat ik tevreden was met het resultaat. Aangezien we alles snel hebben opgenomen en deels geïmproviseerd, en ik me hield aan wat Famine wilde, was het slagwerk uiteindelijk wellicht niet zo spectaculair als op het werk van Sühnopfer of Christicide. De manier waarop we de drums hebben opgenomen, droeg hier ook aan bij. Uiteindelijk moet je je echter ook aanpassen aan de karakteristieken van de band waarin je speelt.

Ik ben meer dan eens gevraagd om in bands te spelen voordat ik me aansloot bij K.P.N.: sinds ik actief ben geweest in Sühnopfer, Christicide en Aorlhac, hebben een hoop mensen kunnen horen hoe ik drum, of het nou op albums is of op het podium. Elk jaar moet ik een paar verzoeken van bands afwijzen, die op zoek zijn naar een drummer voor in de studio of optredens. Mijn drukke schema dwingt mij daar simpelweg toe.

D: Nu we het toch over Peste Noire hebben: het feit dat de drijvende kracht achter dit project door de jaren heen steeds Famine is geweest, is onbetwistbaar. De andere leden zijn meermalen bestempeld als sessiemuzikanten die met hun technische vaardigheden bijdroegen aan de band, maar niets meer. Toch krijg ik de indruk – en zeg het me vooral als ik er naast zit – dat jij een volwaardiger lid bent van de groep dan denkmal-inv21muzikanten als Andy Julia en Neige, wiens taken binnen Peste Noire nogal beperkt waren. Dus vertel me, ben je, als de drummer en accordeonist van de groep, slechts een huurling in Kommando Peste Noire, of één van zijn onvervalste légionnaires?

A: Het is waar dat Famine het concept van Peste Noire heeft geschapen en altijd alle muziek heeft gecomponeerd sinds het begin. De band had al vier langspeelplaten uitgebracht toen ik erbij kwam. Eerst dacht ik dat ik enkel was opgeroepen als invaller voor de opnames van het nieuwe album, maar al snel begonnen we te praten over optredens die we konden organiseren (sommige van mijn goede vrienden gaan misschien ook meespelen met deze optredens). Zoals ik je al verteld heb, heeft Famines verhuizing naar Auvergne de zaken zeker een stuk makkelijker gemaakt: we zien elkaar regelmatig (hij heeft me zelfs beloond met een zangbijdrage op de nieuwe plaat van Sühnopfer) en ook al hebben we verschillende persoonlijkheden, we delen wel degelijk wat ideeën. Natuurlijk hoop ik dat deze samenwerking voort zal duren en dat K.P.N.’s reputatie alleen maar zal groeien.

D: Het jaar 2013 moet erg druk voor je zijn geweest: niet alleen het nieuwe Peste Noire-album werd uitgebracht; ook een gloednieuwe plaat van Christicide, Upheaval of the Soul getiteld, zag het daglicht. Zou je ons iets meer kunnen vertellen over jouw rol in de band? Ben je bijvoorbeeld betrokken bij het compositieproces?

A: Om te beginnen: Christicides nieuwste album is al begin 2011 opgenomen, maar het is pas veel later uitgekomen omdat de productie, de albumkunst en het drukken nogal wat tijd in beslag namen. Ik speel drums bij de band sinds 2008, net nadat ze hun eerste album hadden uitgebracht. Daarna brachten we een split uit met Cantus Bestiae en ook een zeer obscure opname van een optreden. Het belangrijkste is dat we behoorlijk veel hadden opgetreden voordat het album uitkwam. Scars is het brein achter de groep: hij componeert door gitaar te spelen (hoewel andere leden ook invloed hebben) en schrijft de teksten. Uiteraard ontwikkel ik de slagwerkpartijen naar eigen inzicht. Aangezien we niet dicht bij elkaar wonen, oefenen we niet vaak samen; doorgaans pas de dag voor een optreden, of om het compositieproces op gang te brengen.

D: Later in dit toch wel drukke jaar kunnen we eindelijk de nieuwe langspeler van Sühnopfer tegemoet zien. Ik kan me voorstellen dat het zelf inspelen van een CD een lang en veeleisend proces is. Dus vertel, hoe lang heb je aan het nieuwe album gewerkt en vanaf wanneer kunnen we ‘m kopen?

A: Terwijl ik dit schrijf heb ik nog steeds geen precieze datum van uitgave. Ik houd me in de komende dagen bezig met de productie en ik wacht nog op de zangbijdrage van een vriend; daarna zal alles klaar zijn. NKS van Aorlhac heeft het album opgenomen en gaat het binnenkort masteren. Daarna zullen jullie nog even moeten wachten totdat de CD’s ook daadwerkelijk gedrukt zijn… De tijd die hiervoor staat varieert, maar het kan soms behoorlijk lang duren (vooral als je je CD’s in Tsjechië laat drukken – red.).

Wat betreft het schrijven van de muziek: dit is een lang proces. Ten eerste is het ervan afhankelijk hoe lang het duurt voordat ik de gitaarpartijen bedenk (daarvoor is immers inspiratie nodig) en ze samenbreng totdat het volledige liederen zijn. Daarna moet ik extra gitaarpartijen maken die de basale zullen complementeren en zo de ruggengraat van de muziek gaan vormen. Dan is het tijd om na te gaan denken over de slagwerkpartijen. Wanneer dit proces is afgerond, neem ik de eerste demo op op mijn oude viersporencassette, zodat ik het slagwerk en de gitaren op elkaar af kan stemmen. Deze fase bereik ik doorgaans na een jaar. Pas dan kan ik na gaan denken over de teksten en maak ik betere arrangementen voor de drums en de gitaren; dit doe ik allemaal voordat ik het album ook daadwerkelijk op ga nemen. Ik houd me pas bezig met de basgitaar wanneer het slagwerk en de gitaren zijn opgenomen in de studio. Als laatste neem ik de zang op.

Om een voorbeeld te geven: het componeren van het nieuwe album voltooide ik tegen het einde van 2011, ik begon met opnemen in 2012 en was een jaar later klaar, in juni van 2013. Het duurt erg lang, voornamelijk omdat ik de middelen noch de kennis heb om alles zelf op te nemen, dus vraag ik vrienden om als geluidstechnici in te vallen, wetende dat ook hun schema’s behoorlijk druk kunnen zijn.

D: Centraal in Sühnopfer staat de middeleeuwse sfeer die wordt geleverd door middel van snelle, technisch sublieme black metal. In deze zin verschilt de muziek nogal van het gros van de Franse black metal: het is niet zo maf als Peste Noire, noch zo emotioneel als bands als Mortifera. Je zou kunnen zeggen dat Sühnopfer er een grotendeels Scandinavische stijl op na houdt die doordrenkt is met een Franse sfeer. Zal het nieuwe album een voortzetting zijn van dit concept, of heeft jouw recente betrokkenheid bij verscheidene experimentele projecten je misschien aangemoedigd om het ditmaal over een andere boeg te gooien? Ik hoop dat je in elk geval in het Frans blijft zingen!

A: Ten eerste: wees niet bang, ik zing alleen in het Frans! Zoals ik al heb uitgewezen, zijn de nummers al zo’n twee jaar klaar, dus ik zal geen grotere risico’s nemen omdat ik bij andere bands betrokken geweest.espada Waarschijnlijk zul je echter wel een evolutie waarnemen in de manier waarop ik speel en zing; een niet meer dan natuurlijke evolutie. Ik hoop dat ik een intenser en harder werk neerzet dan Nos sombres chapelles; het geluid zal zich altijd blijven ontwikkelen in algemene zin, maar ik blijf me aan dezelfde richtlijn vasthouden: nog steeds die middeleeuwse en ridderlijke sfeer, maar bij vlagen duisterder en ruiger.

Het nieuwe album zal Offertoire gaan heten, zal zeven nummers tellen en ongeveer 50 minuten duren; op twee nummers wordt gesproken over religieuze thema’s terwijl ik mij op andere liederen concentreer op bepaalde plekken en legenden uit Bourbonnais, allemaal binnen een middeleeuwse context. Je zult dit “Scandinavische” aspect wederom terugvinden, aangezien je er bekend mee bent dat ik behoorlijk beïnvloed ben door Sacramentum (Far Away From the Sun), Dissection en Setherial (Nörd); je hebt echter gelijk wanneer je zegt dat deze invloeden verheven zijn door het persoonlijke en lokale aspect van mijn muziek. Ik laat je dit nieuwe album beoordelen en we zullen zien of je het ermee eens bent, maar ik denk dat er geen andere Franse band black metal maakt op dezelfde manier als Sühnopfer. Ik hoop dat ik gedurende al deze jaren een project heb opgezet met een eigen persoonlijkheid.

D: Je begint langzamerhand een soort Franse Hellhammer te worden, als we kijken naar het aantal projecten waarin je actief bent. Zijn er nog bands, afgezien dan van de reeds genoemde, die we in de gaten moeten houden?

A: Dank je voor de vergelijking, al denk ik dat ik zo’n status niet bereikt heb. Naast Sühnopfer, Christicide en Peste Noire, hebben we Aorlhac al genoemd, die twee goede albums hebben uitgebracht en voor wie ik het slagwerk bij optredens verzorg; ook zal ik de drums op hun nieuwe album inspelen. Ik heb ook gezongen bij concerten van Sigillum Diabolicum; ze hebben verscheidene albums uitgebracht, maar ik hun totstandkoming heb ik zelf geen rol gehad. Ik heb zojuist de drums opgenomen voor Lemovice, een Franse oi-band. En dat is het wel zo’n beetje.

D: En zijn er ook groepen in Frankrijk in het algemeen die wat meer aandacht dan wel erkenning in het buitenland verdienen?

A: Aangezien ik nogal druk ben met mijn eigen werk, heb ik niet genoeg tijd over om nieuwe uitgaven van de Franse ondergrondse scene noch de belangrijke Scandinavische bands in de gaten te houden. Soms ontdek ik echter bands door vrienden of bij optredens. Een voorbeeld hiervan is het vroege werk van Darkenhöld, of in een andere categorie, mijn vrienden van An Norvys, die folk metal spelen.

D: Helaas, we zijn al aan het einde gekomen van dit interview. Heb je nog een advies of andere opmerkingen voor die lezers die niet gearresteerd zijn wegens het legaal aanschaffen van vuurwapens?

A: Haha, ik had zelf gearresteerd kunnen worden!

Wel, om te concluderen: wanneer het nieuwe album wordt uitgebracht op Those Opposed Records, is het de bedoeling dat ook Laments en L’aube des trépassés opnieuw worden uitgebracht; dit keer echter alleen op CD, aangezien beide bijna uitverkocht zijn. Nos sombres chapelles is ook bijna niet meer te krijgen, maar ik ben momenteel in gesprek methow-to-get-arrested2 de Duitse platenmaatschappij Deviant Records over de mogelijkheid tot een elpee-uitgave. Wellicht dat het nieuwe album door Those Opposed Records ook op vinyl uit wordt gebracht. De kleine Franse maatschappij The Way of Force heeft een cassetteversie van Nos sombres chapelles op de markt gezet en zal hetzelfde doen met het nieuwe album. Tevens zijn zij op het moment bezig met het samenstellen van een compilatie getiteld Morbid Tunes of the Black Angels: hierop zal een nummer van Sühnopfer te horen zijn, alsmede werk van vele andere getalenteerde Franse bands, zoals Christicide.

En dat is het dan. Bedankt voor dit interview en bedankt aan iedereen die Sühnopfer heeft gesteund, dan wel andere projecten waarin ik actief ben. Ik hoop dat jullie niet teleurgesteld worden door mijn nieuwe album. Zet het goede werk voort dat je hebt gedaan met je sterke analyses!

Aldus de conclusie van dit interview. De eerste van B.I.T. zelfs. Namens mijzelf en de andere redacteuren, dank aan Ardraos voor het vrijmaken van wat van zijn kostbare tijd om mijn vragen te beantwoorden. Opdat onze wegen zich weer mogen kruisen!

Met dank aan:
Leex – Vertaling van de antwoorden van Ardraos naar het Engels.
Ardraos – Het leveren van de meeste van de foto’s.
Valnoir van Metastazis – Foto’s van de K.P.N.-sessie.

Zie ook:
Onze recensie van SühnopferNos sombres chapelles
Onze recensie van Peste NoirePeste Noire
Onze recensie van Peste NoireL’Ordure à l’état Pur
Onze recensie van Peste NoireFolkfuck folie

Advertenties

Dodendans in Spijkerbroek

“De tien zagen het. Zij zagen het of zij van grote hoogte het beloop zagen van onderaardse wateraderen in het alluvium. Zij zagen de wanorde in wording, de splijting, de celdeling. Het was gering nog, maar onmiskenbaar.”
– Ferdinand Bordewijk, Blokken, 1931

Peste Noire V

Artiest: La France Peste Noire
Uitgave: Peste Noire (langspeelplaat)
Platenmaatschappij: La Mesnie Herlequin
Jaar: L’An de Disgrâce 2013
Taal: Frans (+ Oekraïens/Zweeds)
Genre: De nachtmerrie aller woekeraars

Tekst door Degtyarov
(For the English translation, click here)

Danse-Diable

Van brandende auto’s naar de brandstapel.

“Maar Famine, wat doet u nu?” Voor velen was dit de eerste gedachte bij het horen van L’Ordure à l’état Pur, het vierde studioalbum van Peste Noire, dat nu alweer twee volle jaren achter ons ligt. Zelfs voor de beruchte Franse formatie, die eigenlijk met ieder voorgaand album wel stof deed opwaaien, was het een ambitieus en riskant project dat de schare van liefhebbers in tweeën deed splijten. Ambitieus omdat de band zich voor de zoveelste keer opnieuw uitvond, terwijl het de eigen niche binnen het blackmetalgenre met Ballade cuntre lo Anemi francor (2009) al lang en breed gevonden had. Riskant omdat het album volledig steunde op het fundament van de tekst: voorman Famine zei recent in een interview dat de muziek op L’Ordure “de tekst woord voor noot volgt” [1]. Het gevolg was dat het wel of niet begrijpen van de teksten grotendeels bepaalde in welk daglicht de luisteraar de muziek zag [2]. En ondanks de internationale waardering van de band, zingt Peste Noire nog altijd exclusief in het Frans,fa waardoor een groot deel van het publiek logischerwijs verstoken blijft van enig begrip van de individuele nummers en het bandconcept in zijn algemeenheid. Vandaar dat de reeds genoemde reactie van algehele verbazing vrij dominant was onder zowel luisteraars als recensenten van het album. Zij die L’Ordure à l’état Pur trachtten te duiden in een licht van misogynie, trollen, dan wel een willekeurige experimentatiedrift, sloegen de plank nogal mis.

Sinds 2011 is er echter een hoop veranderd. Al meed de band het internet aanvankelijk nog als de pest (haha), is men sindsdien overgestapt op een grotere online aanwezigheid. Zo heeft de band – of het door Famine gerunde label althans – een eigen website, die de informatietoevoer naar het eigen publiek drastisch vergroot. Niet alleen zijn er verscheidene (recent naar het Engels vertaalde) artikelen te vinden waarin de visie en ethiek van de band uiteen worden gezet, ook worden bezoekers op de hoogte gehouden van de laatste activiteiten van en rondom de groep en hun label. Mede hierdoor ontstonden er heuse verwachtingen met betrekking tot het nieuwe album, waarvan ongeveer een jaar geleden bekend werd dat eraan gewerkt werd. Uitspraken van Famine en de nieuwe drummer Ardraos gaven een vaag idee van hoe het nieuwe album zou gaan klinken. Bovendien kregen de luisteraars van de band wereldwijd middels de reeds genoemde artikelen de kans om zich te verdiepen in de achtergrond van het fenomeen Peste Noire. Maar of dit alles heeft bijgedragen tot een verbeterd begrip van les durs de France? De ontvangst van het nieuwe album, tevens Peste Noire getiteld, zal dit moeten uitwijzen.

“Het valt op dat Peste Noire, aantijgingen vanuit politiek correcte hoek ten spijt, de provocatie nog steeds niet mijdt.”

Buiten kijf staat dat Peste Noire MMXIII stof zal doen opwaaien. Aangezien de subtiele, soms zelfs ironische verwijzingen naar Famine’s politieke gedachtegoed op L’Ordure à l’état Pur volstonden om de band en masse weg te laten zetten als een bende vrouwenhatende biernazi’s, zullen de explicietere boodschappen die te vinden zijn op het nieuwe album koren op de molen zijn van degenen die in Peste Noire niks meer dan de muzikale tak van het Front National zien. Bij het bestuderen bij het boekje met de teksten valt al op dat Peste Noire, aantijgingen vanuit politiek correcte hoek ten spijt, de provocatie nog steeds niet mijdt. Op één afbeelding doorklieven een schep en een zwaard een davidster, terwijl bij het lezen van de teksten opvalt dat er bepaalde, vermoedelijk politiek incorrecte woorden zijn weggelaten en vervangen door Hebreeuwse tekens. Hoewel de ironie met name van de laatstgenoemde actie afdruipt, zetten deze observaties toch een wat grimmigere toon wanneer we ze vergelijken met soortgelijke toespelingen op L’Ordure. Toen konden we immers nog rekenen op droge plaatjes waarbij het logo van La vache qui rit werd verwerkt in het embleem van Front National. De specifieke verwijzing naar het jodendom op het nieuwe album en de zinspeling op de in Frankrijk zeer reële dreiging van overheidscensuur corresponderen met de recente, politiek getinte uitspraken van Famine en dringen het jolige beeld van “Jean-Marie le PN” naar de achtergrond. De fraaie verpakking van de CD biedt zo een voorproefje op wat komen gaat.

Het expliciete karakter van de illustraties komt ook terug op de inhoud van de CD. Zij die op basis van “La condi hu”, het laatste nummer van L’Ordure à l’état Pur, dachten dat Famine et frères wel de weg van de zogenaamde postblackmetal in zouden slaan, krijgen in de eerste seconden van het nieuwe album subiet hun ongelijk bewezen. Geen dromerige, contemplatieve melodieën die ook zo op een postrockalbum hadden gepast, maar lugubere, dictatoriale tonen kenmerken de introductie van Famine’s nieuwste opus horribilis. Orgels, fragmenten van bulderende toespraken en primitief klinkende percussie vormen de opmaat naar het eerste ‘echte’ nummer, “Démonarque”. Hierop wordt meteen duidelijk dat, na het uitstapje naar de Parijse banlieues op L’Ordure, Peste Noire zich weer bevindt op het afgelegen Franse platteland, diep in de bossen van Occitanië, in het dorpje La Chaise-Dieu (De Zetel/Het Huis Gods[3]). Vanuit dit vergeten oord herintroduceert de groep de blastbeats die op de vorige twee albums nagenoeg ontbraken en levert Famine de kundige sologitaarpartijen die als sinds de demotijd van Peste Noire tot één van zijn (talrijke) handelsmerken mogen worden gerekend. Het eerste nummer doet zo aanvankelijk denken aan de periode waarin Folkfuck Folie uit werd gebracht en het Franse hooliganensemble snelle, recht-voor-z’n-raap-black metal afleverde.

delmar

Toch gaat deze vlieger niet lang op, daar al snel duidelijk wordt dat de op L’Ordure al licht aanwezige folkinvloeden op dit nieuwe album zodanig zijn uitgewerkt, dat ze een geheel nieuwe draai geven aan de muziek van Peste Noire. Zo worden op het voorgenoemde “Démonarque” sommige van de blackmetalriffs ondersteund door accordeonspel, tot de elektrische gitaren en drums geheel zwijgen om een podium te bieden aan de akoestischegitaarkunsten van Famine, een staaltje traditionele percussie, en draailiermelodieën op conto van L’Atrabilaire. Hoewel Peste Noire al wel sinds mensenheugenis met traditionele melodieën en thematiek flirt, geeft de toevoeging van Gallische instrumentatie wel degelijk een nieuwe draai aan de muziek van de groep. Vooral L’Ordure à l’état Pur legde namelijk vooral de nadruk op het onwenselijke: het was grotendeels verachtelijke stadsmuziek, getooid door industriële beats, multicultuur en teksten vol spelvouten. Zoals werd aangetoond in de commentaren van de Engelstalige versie van onze recensie van dat album, begon het album nog in het grimmige verleden waarin Ballade cuntre lo Anemi francor ons achterliet, door aan te vangen met een hatelijke Occitaanse tekst en een traditionele melodie als diens begeleiding. Spoedig werd het verleden echter gelaten voor wat het is (of was) en voerde Famine ons mee naar een walgelijk heden, ingeleid door een citaat uit de film Les Visiteurs, waarin de middeleeuwse edelman Godefroy ‘le Hardi’ de Montmirail in de moderne tijd terechtkomt en, bij het aanschouwen van deze nieuwe wereld, schreeuwt:

“Quelle infamie, mais où sont passées la nature et les forêts, tout est laid, il n’y a plus un hectare sauvage pour chasser. L’air est suffocant, ça puir !” [4]

Peste Noire MMXIII kan gezien worden als de terugkeer van dit uitstapje naar de moderne tijd, daar het de iet wat fatalistische conclusie “La condi hu”[5], achter zich laat en terugkeert naar de verheerlijking van een voorrepublikeins Gallisch koninkrijk en diens integratie in het spirituele concept van een heidens satanisme. De titel “Démonarque” (“Demonarch”) an sich duidt hier al op: satanisme (id est de esthetisering van het kwaad [6]) vermengd met elitarisme (id est een neo-aristocratie vooral bedoeld om het onder democratie florerende plebs onder de duim te houden); de idee van een duaal nationalisme dat stoelt op de principes van intelligentie en agressie; de monnik en de krijger; ‘las armas y las letras’ (de wapens en de letteren) – een dualiteit die door de gehele Europese geschiedenis heen dondert: of het nou de troubadours waren die onder het dichten en het zichzelf een liesfractuur neuken door op Kruistocht gingen [7]; of Cervantes die in 1571 bij Lepanto kebab verwijderde alvorens hij met zijn Don Quixote en de Novelas ejemplares één van de grondleggers werd van de Europese literatuur; Benito Mussolini die verklaarde “libro e moschetto – Fascista perfetto” (“boek en musket – perfecte fascist”); José Antonio Primo de Rivera en Onésimo Redondo die met hun nationaalsyndicalisten een ideaal nastreefden van militanten die half monnik waren, half soldaat; de selecte groep moderne hooligans die doordeweeks studeren, maar gedurende de weekeinden met elkaar op de vuist gaan, gewoon omdat het kan – kortom, zij die het idee omarmden van de totale man, die streeft naar suprematie van zowel lichaam als geest. En nu scharen de mannen van Peste Noire, Terroristen mit E-Gitarre, zich bij dit roemruchte rijtje door de moderne wereld te slopen met een irrationele woede, om haar vervolgens te reconstrueren middels een ziekelijke spirituele verheffing.

solAvec le Kommando, pensez et agissez français

Dat de voorgenoemde woede vooral aanwezig was op L’Ordure, blijkt uit het reeds besproken nummer “La condi hu”, maar ook uit “Casse, Pêches, Fractures et Traditions”, of “J’avais rêvé du Nord”. Dit laatste nummer nam ons, in de woorden van Famine, mee van hatelijke urban rap naar epische liederen die een droom over verlossing bezongen. Vervolgens wordt deze verlossing in het tweede deel verwezenlijkt door middel van gewapend verzet. Hoewel de rap nog niet helemaal verdwenen is op Peste Noire MMXIII, gaat het op dit album met name over die verlossing: zowel de droom erover als de uitvoering ervan: “Suivons le Roi anarque / Il purgera l’Hexagone / De ses imposteurs / Au fusil mitrailleur.” [8] Hierdoor kan dit album bestempeld worden als directer – de subtiliteit die vaak gepaard gaat met het spotten met de vijand (zoals op “Cochon Carotte et les sœurs Crotte” op L’Ordure), is nu veel minder aanwezig, daar de spot dikwijls plaatsmaakt voor de frontale aanval.

Want hoewel de band zich wellicht niet meer te midden van fikkende banlieues bevindt en de muziek uitgaat van een middeleeuws perspectief, vlamt de haat van Peste Noire onverminderd door, al zijn de vlammen dit keer niet afkomstig van brandende auto’s, maar van smeulende brandstapels. De dansvloer in de grootstedelijke disco wordt ingewisseld voor een dodendans op het platteland van Europa. De macabere sfeer die van dit nieuwe album uit gaat doet inderdaad denken aan la danse macabre: grimmige volksmuziek vermengd met obscure metal – een Dodendans in Spijkerbroek. ardraxeIn combinatie met Abruptum-achtige orgelmelodieën en de ziekelijke zang van Famine wordt de muziek voorzien van een occulte (in de zin van diens letterlijke, esoterische betekenis) sfeer die beduidend ongemakkelijker is dan de voor velen herkenbare (zo niet vertrouwde) grootstedelijke hysterie die het geluid van L’Ordure à l’état Pur kenmerkte.

“De verleiding om Peste Noire als ‘NSBM’ te bestempelen, moet te allen tijde worden vermeden.”

Ook in de teksten komt de hang naar de middeleeuwen meermaals terug. Zo verwijst het nummer “Le clebs noir de Pontgibaud” (“Het zwarte mormel van Pontgibaud”) naar een laatmiddeleeuwse Auvergnatse legende waarin de zoon van een tot hekserij veroordeelde en op de brandstapel gefrituurde man benaderd wordt door een zwarte hond, die hem magische krachten schenkt waarmee hij zijn vader kan wreken. De hond draagt hem op om op het kerkhof van Volvic een stapel botten te verbranden. De zoon doet dat, waarop de as van de botten, het as van de mannen werd die verantwoordelijk waren voor de dood van zijn vader, waardoor zij aan hetzelfde lot dat zij voor de vader bezegelden, ten onder gingen. Met het nummer “La bêche et l’épée contre l’usurier”  (“De schep en het zwaard tegen de woekeraar”) toont Peste Noire zich op ongebruikelijk expliciete wijze van haar politieke kant. De eerste twee coupletten laten in ieder geval weinig aan de verbeelding over, althans voor degenen met enig historisch besef: “Ils infectant nos puits / Ils tuaient nos enfants / Ils prétaient aux petits / Pour en faire leurs servants / Qu’est-ce qui change ajourd’hui? /  Vaccins, avortements / Usure, crédits / Pour nous tuer lentement” [9]. De geluidsfragmenten van een toespraak van Joseph Darnand, leider van de Service d’ordre légionnaire (S.O.L.) [10] tegen het einde van het nummer bevestigen de politieke connotaties van de tekst en het album in het algemeen, des te meer.

Hoewel de politieke achtergrond van het album zich dus een stuk minder ambigu manifesteert, moet de verleiding om Peste Noire met het ‘NSBM’-plakkaat op te zadelen, te allen tijde worden vermeden. De band heeft altijd geflirt met extreemrechts gedachtegoed, maar het satanische aspect van hun ideologie maakt het dat zij niet vereenzelvigd kunnen worden met de rigide, door hygiëne geobsedeerde dandy’s, noch de hersenloze biernazi’s die heden ten dage in aanzienlijke mate dit deel van het politieke spectrum bevolken. Naast een onmiskenbaar nationalisme kenmerken de teksten zich ook door een fascinatie met het afschuwelijke: zo wordt in “La Blonde” een gewelddadige dronken bui als gevolg van het nuttigen van blond bier bezongen: “La Blonde / Elle me rend agressif / Comme Ayyash devante un kibboutz / Elle fait qu’à mon actif / J’ai tes dents sur mes paraboots” [11]. Op “Niquez vos villes” (“Neuk jullie steden”) pompt Famine er nog maar eens een rap uit, terwijl op “Démonarque” de “Anarchkoning” wordt geprezen. Een zin die in het boekje staat vermeld is dan ook: “Nous sommes le commando Peste Noire, de la droite les plus anars” [12], een tekst die de meer rigide segmenten van extreemrechts moeilijk zouden slikken. Dit werd al duidelijk toen, tijdens het tournee van Peste Noire in Québec, een concert naar verluidt werd verstoord door een protest van zowel neonazi’s als antifa. Twee groepen van eendimensionale denkers bij uitstek die schreeuwden over een band die ze totaal niet begrepen. Jammer genoeg een typisch tafereel in deze onwetende wereld.

la chouffe noire

Het nationalisme an sich volstaat dus niet om het concept Peste Noire compleet te vatten, maar hetzelfde geldt voor het satanisme waar de band zich evenzeer mee identificeert. Zo staat Famine’s interpretatie van het satanisme in schril contrast met de gebruikelijke Semitische invulling van het concept (zie: Deathspell Omega), of met de liberale, atheïstische filosofie van Anton Levy LaVey, die vooral onder blackpopbands als Dimmu Borgir op steun kan rekenen. Peste Noire is weliswaar een groot voorstander van individuele onafhankelijkheid, maar dit heeft eerder een elitaire achtergrond dan een liberale (‘gelijke kansen voor iedereen’). Het bijzondere van de band is dan ook dat het deze, binnen de black metal toch al unieke insteek niet alleen in diens muziek propageert, maar ook daarbuiten uitdraagt, getuige het feit dat Famine rustig bij Season of Mist had kunnen tekenen en bakken met geld had kunnen verdienen, maar in plaats daarvan heeft gekozen voor complete artistieke onafhankelijkheid door middel van het oprichten van zijn eigen label, La Mesnie Herlequin. Het plakkaat “NSBM” is dus een belediging voor het rijke bandconcept van Peste Noire, wat tevens betekent dat zij die zich schuldig maken aan uitspraken als “ik luister naar Peste Noire, hoewel ik het niet eens ben met hun politieke meningen”, een fundamentele denkfout maken. Het gaat hier namelijk niet om het er wel of niet ‘mee eens’ zijn; het gaat juist om de waarden (politiek, spiritueel en artistiek) waarop ‘le Kommando Peste Noire‘ gestoeld is. De muziek vloeit voort uit de visie van de band; het één kan niet zonder het ander bestaan. Het reduceren van dit totaalpakket tot een futiele politieke kwestie die losstaat van de muziek, getuigt van het eendimensionale denken dat ook de voorgenoemde neonazi- en antifademonstranten ten deel is gevallen [13].

“Het getuigt van grote klasse dat Famine de basgitaar een hoofdrol heeft durven geven.”

Degenen die toch volharden in hun tunnelvisie, kunnen misschien een beter beeld krijgen van de band door zich te realiseren dat, eerder nog dan nationalisme of satanisme, ‘elitarisme’ te identificeren is als hét leidmotief van Peste Noire. Dit kan opgemaakt worden uit de manier waarop de band zich, in interviews en artikelen, van de rest van de metalscene distantieert wegens de vermeende domheid die onder metalheads prevaleert. Bijkomend voordeel is dat dit Nietzscheaanse streven naar excellentie naar boven komt in de muziek, zo ook in de instrumentatie van dit nieuwe album. Zo heeft Peste Noire met Ardraos (bekend van o.a. Sühnopfer en Christicide) veruit diens meest kundige drummer tot nu toe in huis gehaald. De ultrastrakke blastbeats en creatieve breaks zorgen ervoor dat van Peste Noire MMXIII op het gebied van slagwerk aanzienlijk meer klasse uit gaat dan van voorgaande albums, met name de laatste twee. Famine etaleert ondertussen zijn enorm gevarieerde gitaarspel: met name de Valfunde-achtige solo op “Ode” en het samenspel van gitaar en traditionele elementen vallen op. Ook de onconventionele sologitaarpartijen op “Démonarque” duiden op een visie die breder is dan die van de meeste blackmetalmusici: Famine is hiermee één van de weinige gitaristen in het genrebrueg die zich echt onderscheidt met een unieke, herkenbare stijl. Daar komt nog bij dat de bandleider zich tevens een bijzonder vaardig bassist toont, daar hij zijn melodieuze gitaarspel naadloos weet om te zetten in kleurrijke bastonen. Gevreesd werd dat het gemis van basvirtuoos Indria de baspartijen op dit nieuwe album parten zou gaan spelen, vooral aangezien gitaristen die noodgedwongen bij moeten klussen als bassist, nogal eens de neiging hebben om de basgitaar in de productie de nek om te draaien ten faveure van een luidere slaggitaar. Het getuigt dan ook van grote klasse dat Famine in de productie van het nieuwe album, ondanks het gemis van zijn favoriete bassist, dit instrument een hoofdrol heeft durven en kunnen geven.

De prominente rol van de basgitaar is echter één van de weinige aspecten waarin de producties van respectievelijk L’Ordure à l’état Pur en Peste Noire MMXIII overeenkomen. Het laatstgenoemde album gaat grotendeels terug naar het ruige, organische geluid van Ballade cuntre lo Anemi francor, al is het gitaarspel op het nieuwe album in vergelijking wel aanzienlijk helderder. Het slagwerk van Ardraos is in de productie een stuk minder aanwezig dan op zijn albums met Sühnopfer. Dit is echter vooral te wijten aan het feit dat de composities van de laatstgenoemde band dikwijls uitgaan van het slagwerk, terwijl Peste Noire, nota bene geesteskind van gitarist Famine, altijd een op gitaren georiënteerde band pur sang is geweest. Niettemin was het de rauwheid van het album ten goede gekomen als de drums iets beter vertegenwoordigd waren geweest in de mix. Een ander minpuntje is dat op het middenstuk van “La bêche et l’épée contre l’usurier”, de percussie af en toe de gitaar naar de achtergrond verdrijft, alsof deze gesidechainet wordt. Uiteindelijk is Peste Noire echter nooit een band voor productiefetisjisten geweest, dus het is onwaarschijnlijk dat de kleine deukjes in dit aspect van het eindproduct, een serieus obstakel zullen gaan vormen voor liefhebbers van de band, dan wel het blackmetalgenre in het algemeen.

Nee, liefhebbers van de band zullen verheugd zijn met dit nieuwe, wellicht laatste hoofdstuk in de muzikale loopbaan van de mannen uit La Chaise-Diable. Één van de krachten Peste Noire is altijd geweest dat ieder album aandoet als een nummer op één groot conceptalbum: de neergang van de beschaving op La Sanie des siècles; de afdaling in de krochten der waanzin van Folkfuck Folie; het barbaarse nationalisme van Ballade cuntre lo Anemi francor; de reis door de verziekte moderne wereld van L’Ordure à l’état Pur… En nu, met Peste Noire MMXIII, de frontale aanval op diezelfde verziekte wereld vanuit een middeleeuwse nietsontziendheid. De cirkel lijkt rond; het is moeilijk voor te stellen welk terra incognita binnen het genre de band nog kan verkennen. Wellicht dat een grotere focus op de rap- dan wel Oi-elementen nog in het verschiet ligt, al lijkt het niet Famine eigen om zich te wijden aan één muzikale dimensie. Toch loopt Peste Noire zoals altijd het gevaar dat recensenten en andere luisteraars slechts één dimensie zullen waarnemen binnen het huidige oeuvre van de band en de interpretatie c.q. beoordeling van hun muziek zal stoelen op deze tunnelvisie. Het duurt ongetwijfeld niet lang meer voordat men ook dit nieuwe album vangt onder één noemer, of dit nou Oi of NSBM is. Het is dan ook het lot van de meest creatieve lieden, dat zij tevens de meest onbegrepen individuen op deze wereld zijn.

rev

Peste Noire kan binnenkort nu gekocht worden bij La Mesnie Herlequin.

Les durs d’Auvergne zijn:
Fafa – knibbelknabbelknuisjevocalen, gitaar (elektrisch; akoestisch), basgitaar (elektrisch; akoestisch), tamboerijn, postbode
Ardraos – kankerharde drums, accordeon
Audrey – achtergrondzang
L’Atrabilaire – draailier
Lazareth – trompet
Veurmin – carnyx und lituus
Pire – violoncello
Antumnos – dwarsfluit
R. de mysterieuze Oekraïenert – zangbijdragen op nummers 4 en 6
Ravenlord – zangbijdrage op nummers 2, 4 en 8
Melkor – zangbijdrage op nummer 4
Arawn – zangbijdrage op nummer 5
Dunkel – zangbijdrage op nummer 5
Khräss – zangbijdrage op nummer 7

Nummers:
1. Le retour de la peste (3:51)
2. Démonarque (7:42)
3. La bêche et l’épée contre l’usurier (8:10)
4. Niquez vos villes (6:46)
5. Le clebs noir de Pontgibaud (5:15)
6. Ode (4:16)
7. La Blonde (4:08)
8. Moins trente degrés celsius (6:26)

Totale speelduur: 46:39

Notities:
[1] “L’Ordure was criticised for its text, whereas it is in fact essentially a textual album. The music is almost secondary in this album. I firmly prefer the text to the music of L’Ordure.” Vrij naar: La Mesnie Herlequin.
[2] Een nummer als “Cochon Carotte et les sœurs Crotte” klonk voor de één als een smakeloze melange van zouk, reggaeton en andere hoerenmuziek, verworden tot een willekeurige, richtingsloze industriële cacofonie. Voor de ander was het echter een briljante parodie op de verachtelijke urbancultuur, met als getuigen hiervan de oermensachtige misogynie en de opzettelijke ongeletterdheid die uit de tekst naar voren komen.
[3] ‘Chaise’ betekent zetel/stoel, maar is een verkeerde vertaling van het Occitaanse woord ‘chasa’, dat ‘huis’ betekent.
[4] Zoals ook is uitgewezen in de reacties op de recensie van L’Ordure, komt dit fragment uit de komediefilm Les Visiteurs, waarin een middeleeuwse Franse ridder terechtkomt in een hedendaags Frankrijk. De vertaling: “Wat een schande. Waar zijn de natuur en de bossen gebleven? Alles is leeg; er is geen hectare [land] over om op te jagen. De lucht is verstikkend, het stinkt!”
[5] “La condi hu” (“La condition humaine” / “De menselijke staat”) is het laatste nummer van L’Ordure à l’état Pur. Uit onze recensie van dat album: “In dit nummer worden aanvankelijk allerlei gruwelijke ziekten als aids, tyfus en malaria opgesomd, maar gaandeweg worden ook fenomenen als MTV, Big Brother, de Republiek en zelfs de mensheid als geheel aan deze lijst van onaardigheden toegevoegd. Tegen het einde van het nummer leest zangeres Audrey Sylvain een beschrijving op van, naar ik begrijp, wat aids met het menselijk lichaam doet, waarmee uiteraard de parallel wordt getrokken met de huidige staat van de wereld in de ogen van Famine. De muziek is dan ook wat serieuzer van aard en heeft een vrij duistere, wanhopige toon, wat door het contrast met de bij vlagen carnavaleske vrijgeestigheid van de andere nummers des te harder aankomt.”
[6] Zie ook dit door Famine geschreven artikel voor meer informatie over de esthetiek van het kwaad.
[7]  Zie ook dit artikel door L’Atrabilaire.
[8] “Wij volgen de Anarchkoning / Hij zal de zeshoek reinigen / Van zijn bedriegers / Met het machinegeweer”.
[9] “Ze vergiftigden onze putten / Ze vermoordden onze kinderen / Ze leenden aan de armen / Om van hen hun dienaren te maken / Wat is er vandaag de dag veranderd? / Vaccinaties, abortussen / Gewoeker, leningen / Om ons langzaam te vermoorden”.
[10] De S.O.L. was een rechtse militie die actief was onder het Vichy-regime en de voorloper van de Milice française. Een bewerkt wapen van Vichy-Frankrijk was eerder te zien in de heruitgave van Ballade cuntre lo Anemi francor.
[11] “Het blond bier / Zij maakt me agressief / Zoals Ayyash voor een kibboets / Ik heb jouw tanden onder mijn kisten”.
[12] “Wij zijn het commando Peste Noire / Van rechts het meest anarchistisch”.
[13] Muziekliefhebbers staan hier helaas niet alleen in. Vergelijkbaar is de discussie rondom de legendarische novelle Bint van Ferdinand Bordewijk (1934), die bijna 80 jaar na dato nog steeds wordt benaderd vanuit het perspectief “is het boek voor of tegen fascisme?” Het zielige hieraan is dat deze vraag überhaupt niet relevant is. Lees ook dit stuk van Ralf Grüttemeier voor een gedetailleerde bespreking van deze benadering van literatuur: “De impasse rond ‘Bint’ en een aanzet tot overwinning“.

Andermans veren:

  • De term ‘opus horribilis’ is overgenomen uit het interview met Famine in de LP-versie van Folkfuck folie.
  • Hetzelfde geldt voor de informatie over de betekenis en herkomst van de plaatsnaam ‘La Chaise-Dieu’.
  • Dank aan Ardraos voor informatie over de herkomst van het fragment van de S.O.L. in “La bêche et l’épée contre l’usurier”.
  • Informatie over de legende van de zwarte hond van Pontgibaud vind je hier.
  • Bandfoto’s zijn bewerkte versies van het werk van Metastazis.
  • Dank aan Mystery Man voor suggesties en verbeteringen.

Zie ook:
Bespreking van Folkfuck folie
Bespreking van L’Ordure à l’état Pur
Bespreking van SühnopferNos sombres chapelles
Bespreking van Triste SirRoyaume perdu

Muziek beluisterd tijdens deze recensie: Peste Noire, Ultima Thule, Nokturnal Mortum, Mütiilation, Drudkh

Bier gedronken tijdens deze recensie: La Chouffe (Blond, uiteraard); Dommelsch