Welkom

arb

Tegen het contrast van een zacht nagloeiende kim schoot het toestel de sterren tegemoet, de souplesse gelijk een discus, doch de rechtlijnigheid was die van een speer, als was het object door de goden zelf ten hemel geworpen. Het rookschrift was nog tot ver terug te lezen, de piloot trok gedisciplineerd een abstracte, wiskundige lijn door een perfect gewaand sterrencanvas. Zelfs het machtige heelal was zo voor een klein moment gehavend door het onbegrensde vermogen van de mens, dat, gekenmerkt door een roestige doortastendheid, oncontroleerbaar leek voor zelfs de wraakzuchtigste krachten der natuur. Met een lichaam van staal en een wil van titanium schoot het beest doelgericht naarboven en ontsteeg het spoedig het nasmeulende inferno, opgaand in een niemandsland van wolken dat de weg plaveide naar een kleurloos, doodkoud vagevuur met geen oriëntatiepunten dan het bleke licht van gestorven hemellichamen. De gapende kalmte bedierf in een fractie van een seconde de schijnbaar onkrenkbare wil van het zielloze gevaarte. De pijl schoot door, prompt met een vertwijfeling die zwierf tussen onmacht en acceptatie van het lot. Gelijk een floret dat stuit op een pantser, werd de opmars van de lijn gestopt. Met het heelal als kegelsnede trok de piloot postuum een parabolische lijn tot het reeds gerulde aardoppervlak. Het kunstwerk was voltooid.

De knal was in de stad vaag te horen, grotendeels overstemd door de als hyena’s lachende vlammen. Een oude man keek op, maar zag zijn blik spoedig teruggaan naar een panoramische registratie van de woestenij. Het puin was omhuld met een doffe, gruizige lucht die zich als een séance van rouwende schimmen over de gesneuvelde  bouwwerken ontfermde. Door het korrelige stof waren nog enkele reclameborden zichtbaar, met daarop lachende gezichten, maar zij straalden dezelfde vijandigheid uit als de lasermarkeerders die het apocalyptische banket hadden geäperitiveerd. De lege, stalen blik van de oude man strookte niet met hetgeen er in de ogen stond weerspiegeld, doch het aanzicht raakte hem. Het was echter niet de aanblik van onder puin bedolven, ontzielde lichamen die hem in ’t bijzonder aangreep, maar de absentie van orde. Het rechte was krom en het hoekige rond, de menselijke creatie overgeleverd aan de grillige willekeurigheid der natuur. Een blik van afkeuring eerder dan verdriet. Een opzettende Westenwind deed de vlammen beven. Zij waren nu wild, losgeslagen, en dansten op de graven van de stad. Naast de hanteerders van een angstaanjagende macht, waren zij tevens de enige emitoren van kleur in de grijze vlakte, infernale oases in oneindige steppen van beton.

De oude man wendde zijn blik naar het Oosten. Ook daar stond een felle gloed aan de horizon, maar van een ander aard; niet het residu van een noodlottig einde, maar de bladknoppen van een begin, de weerspiegeling van een zonnewendeviering, lichtstralen projecterend tot ver om zich heen, tot in de verste oorden schaduwen als evangeliën werpend, van boven gezegend door de halo van een nieuw tijdperk. Doch één der miljoenen lichtstralen lag half begraven in de brosse aarde, reeds daarvoor in het vagevuur verzwolgen door een doodse duisternis. De oude man zag hoe de gloed achter een muur van nevel verdween en sloot zijn ogen. Van achter de duinen weeklaagde de zee een aritmisch requiem van spookachtige tonen, doordrenkt met de intense, elementaire treurnis van de Aarde zelf. Maar de oude man hoorde het niet meer.

Toen hij zijn ogen weer opende, waren de vlammen reeds verdwenen. Ook de overige beelden van de ondergang, die zich eerder hadden gemanifesteerd als geraamten van gebouwen en puin van mensen, hadden zich teruggetrokken naar een andere dimensie. Voor de man stond enkel nog een toren, vervaardigd uit ivoor en gehuld in zwart, wiens sombere blik de apocalyps van het nu had getrotseerd. Het eenzame bouwwerk stond daar, in het hart van het niets, bevroren in het verleden, zijn zwarte gestalte gebalsemd voor een eeuwigheid die nog komen zou.

Anoniem, 1931.

ivtor